Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 8 maart 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:3918
Feiten
Werknemer is sedert 15 maart 1998 in dienst van de gemeente Den Haag (hierna: gemeente) en vervulde laatstelijk de functie van Toezichthouder B bij het Fietsverwijderteam. Werknemer is sinds 30 juli 2018 arbeidsongeschikt, waarbij hij wel heeft geprobeerd te re-integreren. Op 11 oktober 2018 is werknemer gevallen, waarna hij per ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Op de het moment van de val bevond werknemer zich bij een Biesieklette. Op 4 september 2020 heeft werknemer de gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de val. De gemeente heeft de aansprakelijkheid afgewezen. Per 1 juni 2021 is het dienstverband beëindigd. Werknemer verzoekt bij wijze van deelgeschil (a) te bepalen dat de gemeente als werkgever aansprakelijk is voor de ten gevolge van een arbeidsongeval door werknemer geleden en nog te lijden schade (b) de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade en (c) te bepalen dat de gemeente de rechtsbijstandskosten ten bedrage van € 3.920 ex btw en kantoorkosten vergoedt alsmede de griffierechten. De gemeente stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure nu de standpunten van partijen op tal van punten haaks op elkaar staan. Zo is niet alleen in geschil of er op 11 oktober 2018 daadwerkelijk een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij werknemer is gestruikeld, maar ook of (als dit al vast komt te staan) het ongeval heeft plaatsgevonden op de werkplek en er dus sprake is van een arbeidsongeval. Verder is in geschil of de gemeente haar zorgplicht heeft geschonden, of de gemeente aansprakelijk is, of er sprake is van klachten en of er sprake is van causaal verband tussen deze klachten en het ongeval.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter staat ter beoordeling de vraag of het verzoek van werknemer zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Bij de beoordeling van het deelgeschil moet de rechtbank zich de vraag stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is, dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Een deelgeschil waarvan te verwachten is dat de beantwoording van die vraag te kostbaar is en veel tijd in beslag zal nemen, bijvoorbeeld omdat bewijsvoering nodig zal zijn, zal zich minder snel lenen voor een deelgeschilprocedure. De kantonrechter stelt vast dat er tussen partijen veel geschilpunten zijn, met als gevolg dat er veel vragen dienen te worden beantwoord alvorens kan worden vastgesteld of de gemeente aansprakelijk is. Daarvoor zal nader onderzoek noodzakelijk zijn, dat dusdanig veel tijd in beslag neemt dat dit geschil zich niet leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. Verzoek van werknemer wordt daarom afgewezen. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis oordeelt de kantonrechter dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake is en volgt een toekenning van een kostenvergoeding begroot op € 3.049,50 inclusief btw en griffierecht.