Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14 februari 2022
ECLI:NL:RBLIM:2022:4413
Feiten
Werknemer is in dienst van Maasterminal Maastricht B.V. (hierna: Maasterminal). Op 12 november 2018 is werknemer een ongeval overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, bestaande uit het losmaken en verplaatsen van zekeringspaaltjes op treinwagons. Op 22 februari 2019 heeft werknemer Maasterminal op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. In reactie daarop heeft Maasterminal aansprakelijkheid afgewezen en later, op 13 oktober 2020 – zonder erkenning van aansprakelijkheid – zich bereid verklaard te bezien of een pragmatische regeling mogelijk is. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. Werknemer verzoekt (a) verklaring voor recht dat Maasterminal aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade, (b) Maasterminal te veroordelen tot betaling van deze schade inclusief smartengeld en (c) Maasterminal te veroordelen tot betaling van € 15.000 dan wel een naar redelijkheid door de kantonrechter vast te stellen bedrag als voorschot op de door werknemer geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Maasterminal voert verweer.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De in artikel 1019w e.v. Rv geregelde deelgeschilprocedure is bedoeld om het buitengerechtelijke traject te versterken. De deelgeschilprocedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood van een ander of door letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent de vraag of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Voorts is van belang dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.
Vast staat dat werknemer op 12 november 2018 een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat hij (in ieder geval enige) schade heeft geleden. Dat betekent dat Maasterminal in beginsel aansprakelijk is voor de schade van werknemer als gevolg van het ongeval, tenzij Maasterminal stelt en zo nodig bewijst dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Maasterminal heeft gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan en niet aansprakelijk is, waarbij zij zich beroept op het ter beschikking stellen van deugdelijke persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) en de verstrekking van een deugdelijke Engelstalige mondelinge instructie en de begeleiding van werknemer door een ervaren collega. Werknemer betwist dat er een deugdelijke werkinstructie heeft plaatsgevonden. Werknemer stelt dat er slechts een zeer korte en summiere uitleg is gegeven. Ook betwist werknemer dat er voldoende toezicht was en dat Maatsterminal PBM’s heeft verstrekt. De standpunten van partijen staan haaks op elkaar. Nadere bewijsvoering ligt in de rede. De kantonrechter kan in het kader van dit deelgeschil daarom niet beoordelen of de zorgplicht is geschonden en kan dus niet vaststellen dat Maasterminal aansprakelijk is. De kantonrechter is eveneens van oordeel dat de investering in tijd, geld en moeite niet opweegt tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Het verzochte met betrekking tot de vaststelling van de aansprakelijkheid zal dan ook worden afgewezen. Onder verwijzing naar artikel 1019aa Rv begroot de kantonrechter de proceskosten op € 3.624,25 inclusief btw.