Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Poseidon Personnel Services S.A.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 mei 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1467
Ter nakoming van het vonnis met veroordeling tot het betalen van netto-ontslagvergoedingen aan werknemer wordt een vaststellingsovereenkomst opgenomen. Werkgever draagt de belastingplicht.

Feiten

Op 1 februari 2002 is werknemer bij Poseidon Personnel Services S.A. (hierna: PPS) in dienst getreden. Op 30 april 2016 heeft PPS schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met werknemer is opgezegd. Bij beschikking heeft de kantonrechter in 2016 voor recht verklaard dat PPS het dienstverband met werknemer onrechtmatig heeft opgezegd en PPS veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 99.236,40 netto (met rente) en een billijke vergoeding op basis van 1,25 maal de transitievergoeding, afgerond een bedrag van € 125.000 netto (met rente), met veroordeling van PPS in de kosten van het geding. In januari 2017 hebben partijen teneinde verder procederen te voorkomen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat PPS een totaalbedrag ineens voldoet van € 225.000 netto. Artikel 1.1 van de vso, waarin dit is vastgelegd, bepaalt voorts: ‘PPS will comply with the tax rules applicable to payment of this amount’. PPS heeft vervolgens het nettobedrag van € 225.000 uitgekeerd en onder de noemer ‘Ontslagvergoeding’ gebruteerd naar € 431.865,14 en daarop € 206.865,14 loonbelasting ingehouden en afgedragen. PPS past de witte maandtabel loonbelasting en heffingskorting toe, maar zonder afdracht van premies ZVW, WW en WIA en premies volksverzekeringen (AOW, Anw, Awbz en Wlz), volgens een tarief 999 voor buitenlandse werknemers en met een jaarloon voor vaststelling van het bijzonder tarief van € 132.956,00 (bruto) in 2016. Een door werknemer ingeschakelde fiscalist heeft geconcludeerd dat PPS voor 2016 nog aanvullend € 70.011,50 bruto en voor het jaar 2017 ten minste aanvullend € 33.383,00 bruto aan werknemer is verschuldigd, alles vermeerderd met de fiscale rente. Werknemer vordert een (gebruteerde) schadevergoeding van € 70.011,50 en van € 33.383,00, beide vermeerderd met de belastingrente.

Oordeel

Naar het oordeel van het hof lag het gegeven de voldoende onderbouwde stelling van werknemer op de weg van PPS om bewijs te leveren waarom in afwijking van de geldende wettelijke regels de tabel bijzondere beloningen niet van toepassing was op de (brutering van de) eenmalige uitkering. PPS heeft haar stellingen op dat punt onvoldoende onderbouwd. Dat leidt in beginsel tot een gebruteerde eenmalige beloning van € 468.750, een verplichte inhouding en afdracht van loonbelasting tot een bedrag van € 243.750 en een netto-uitbetaling van € 225.000. In dat geval zou werknemer een vordering tot vervangende schadevergoeding hebben (gehad) van € 36.885, plus rente. Het hof onderkent echter dat toepassing van deze in 2016 en 2017 geldende Nederlandse belastingregels ertoe zou hebben kunnen leiden dat werknemer, in afwijking van de kennelijke bedoeling van partijen, eventueel te veel ingehouden en afgedragen loonbelasting zou hebben kunnen terugontvangen van de Belastingdienst. Het hof gaat uit van de berekening zoals ingebracht door werknemer, nu PPS deze niet voldoende heeft betwist. PPS had in dat geval, met de kennis van nu rekening houdend met de werkelijke overige belastbare inkomsten, bij betaling in 2017 bruto € 465.248 aan werknemer moeten uitbetalen, onder inhouding van € 240.248 loonbelasting. Het verschil tussen € 465.248 (verschuldigd in 2017) en € 431.865 (betaald in 2017) ter grootte van € 33.383 moet PPS dus nog bruto aan werknemer betalen. Wel zal het hof werknemer opdragen om een kopie van zijn aangifte en de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017 over te leggen, ter verificatie van het overige inkomen uit arbeid in box 1 in 2017 van € 40.859. Het hof overweegt voorts dat de grieven doel treffen voor zover deze gericht zijn tegen een gestelde en voldoende onderbouwde onjuiste afrekening door PPS van het brutoloon over de opzegtermijn en van de eindafrekening, met dien verstande dat door werknemer nog bewijs moet worden geleverd van de betaalde inkomstenbelasting over 2016.