Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 juni 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:4712
Feiten
Werknemer heeft per 23 november 2017 met uitzendbureau Tatar B.V. (hierna Tatar) een uitzendovereenkomst gesloten, op basis waarvan Tatar gerechtigd was om werknemer beschikbaar te stellen aan opdrachtgevers. Werknemer is vervolgens uitgeleend aan Altrad Ballieuw B.V. (hierna: Altrad) en heeft ten behoeve van Altrad op diverse locaties werkzaamheden verricht. Altrad is een leverancier in stellingbouw en een van de opdrachtgevers van Tatar. Op 11 januari 2018 heeft werknemer werkzaamheden ten behoeve van Altrad verricht. Zijn werkzaamheden bestonden uit het aannemen en aanreiken van materialen via een mangat in het kader van het opbouwen van een inwendige steiger. Werknemer diende de materialen aan te reiken aan een collega (hierna: ondergeschikte), die op een hoger gelegen deel van de steiger stond. Op enig moment is een ratel vanaf het hiervoor genoemde hoger gelegen deel van de steiger gevallen en op werknemer terechtgekomen met nekletsel tot gevolg. Werknemer stelt Tatar en Altrad aansprakelijk, die beide de aansprakelijkheid afwijzen. Tatar en Altrad betwisten dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden op de wijze zoals door werknemer gesteld. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat Tatar en Altrad aansprakelijk zijn voor de geleden en nog te lijden schade.
Oordeel
De kantonrechter heeft een onafhankelijke deskundige benoemd, die op grond van twee scenario’s een oordeel moet vellen over de hoofdvraag hoe groot de kans wordt ingeschat dat werknemer het aanwezige letsel als gevolg van een van de twee scenario’s heeft ondervonden. De deskundige oordeelt dat er vóór het ongeval nooit sprake is geweest van pijnklachten in de nek met uitstraling en dat eerst ná het ongeval pijnklachten zijn opgetreden. De kantonrechter stelt in algemene zin voorop dat hij het oordeel van een door hem ingeschakelde medische deskundige in beginsel zal volgen, tenzij er goede redenen zijn om van die hoofdregel af te wijken. Altrad heeft in dat verband aangevoerd dat het deskundigenrapport en de daarin opgenomen beantwoording van de vragen voor wat betreft de inhoud niet aan de eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica voldoen. De kantonrechter verwerpt deze stelling. De deskundige is naar het oordeel van de kantonrechter op voldoende inzichtelijke wijze op de opmerkingen van Altrad ingegaan en ziet dan ook geen zwaarwegende bezwaren tegen de inhoud van het rapport. De kantonrechter volgt het oordeel van de deskundige en stelt dat voldoende is komen vast te staan dat werknemer lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen door het ongeval. Dit leidt vervolgens tot de vragen (a) of Tatar en/of Altrad aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade van werknemer ten gevolge van het ongeval en (b) of er sprake is van een fout van een ondergeschikte en er dus sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad jegens werknemer. De kantonrechter oordeelt dat Tatar de toedracht van het ongeval onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en dat de gedraging van ondergeschikte in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is. Voldoende gebleken is dat de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van de taak van ondergeschikte is vergroot en dat zowel Tatar (als formele werkgever) als Altrad (als materiële werkgever) uit hoofde van hun juridische gezagsverhouding zeggenschap hadden over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Dit betekent dat Tatar en Altrad beide aansprakelijk zijn voor de schade die door de fout van ondergeschikte aan werknemer is toegebracht.