Rechtspraak
Feiten
Werknemer is van 1 april 2012 tot 29 februari 2020 als internationaal chauffeur in dienst geweest bij Meijndert Trucking B.V. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bevat een non-concurrentiebeding. Op 1 maart 2020 is werknemer als chauffeur in dienst getreden bij een concurrent van Meijndert Trucking. Meijndert Trucking heeft in kort geding gevorderd werknemer te veroordelen (1) de werkzaamheden voor de concurrent te staken en gestaakt te houden gedurende de resterende looptijd van het concurrentiebeding, (2) tot betaling van de contractuele boete en (3) tot onverkorte nakoming van het concurrentiebeding. Werknemer heeft in reconventie vernietiging van het concurrentiebeding gevorderd althans schorsing van dat beding met ingang van 1 maart 2020 totdat over de rechtskracht daarvan definitief is beslist in een bodemprocedure. De kantonrechter heeft de vorderingen van Meijndert Trucking toegewezen en die van werknemer afgewezen (zie AR 2020-0788). Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg vernietigd, de vorderingen van Meijndert Trucking afgewezen en in reconventie het concurrentiebeding geschorst met ingang van 1 maart 2020 (zie AR 2020-1084). Meijndert Trucking heeft beroep in cassatie ingesteld.
Conclusie A-G (De Bock)
De conclusie van de A-G (niet gepubliceerd) strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).