Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 februari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:4753
Feiten
Werknemer is op 1 juli 2020 in dienst getreden bij C-Bridge B.V., t.h.o.d.n. GeriCall (hierna: GeriCall) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 31 december 2020. De arbeidsovereenkomst is verlengd tot 30 juni 2021. Op 28 mei 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen waarin is gesproken over een verlenging van de arbeidsovereenkomst. Op 31 mei 2021 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden dat werknemer (heimelijk) heeft opgenomen. In het transcript van dit gesprek staat onder meer het volgende: “(…) Vorige week hebben we een gesprek gehad met werknemer, over jouw nieuwe contract en daar was X bij aanwezig. Misschien kan jij X nog even samenvatten hoe dat gesprek verliep. (…) X: Volgens mij was het een prima gesprek, dat we het over ambities hebben gehad, toffe kerel. Volgens mij werkt de planning goed. De enige feedback die we hebben gegeven ging over continuïteit en stabiliteit”. Bij e-mail van 31 mei 2021 is de arbeidsovereenkomst van werknemer aangezegd. Werknemer verzoekt GeriCall te veroordelen aan hem te betalen onder meer een bedrag van € 63.587,80 als (gefixeerde) schadevergoeding c.q. billijke vergoeding, € 1.766,33 zijnde een transitievergoeding en € 1.642,50 ter zake van de door werknemer gemaakte overuren.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat op werknemer de stelplicht rust aangaande zijn standpunt dat een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand is gekomen. Aan zijn stelplicht heeft werknemer echter niet voldaan. De stelling van werknemer dat GeriCall op 28 mei 2021 het aanbod heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden met een jaar te verlengen, dat door werknemer direct is aanvaard, is onvoldoende onderbouwd nu GeriCall betwist een dergelijk aanbod te hebben gedaan. Daarbij heeft GeriCall erop gewezen dat het gesprek op 28 mei 2021, waarin is gesproken over een mogelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst, is beëindigd omdat over het salaris nog geen overeenstemming was bereikt. Dit leidt ertoe dat het verzoek tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen. Nu GeriCall het einde van de tweede arbeidsovereenkomst tijdig heeft aangezegd en deze van rechtswege is geëindigd is aan artikel 7:681 lid 1 BW niet voldaan. Dit leidt ertoe dat het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding eveneens wordt afgewezen. Wel is GeriCall een transitievergoeding aan werknemer verschuldigd. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van werknemer. Dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst zou zijn ingegeven door de omstandigheid dat werknemer om uitbetaling van 65 overuren heeft verzocht, zoals GeriCall stelt, is niet gebleken. Los daarvan kwalificeert dit niet als ernstig verwijtbaar handelen, aangezien werknemer meent recht te hebben op uitbetaling van die overuren. Het verzochte bedrag van € 3.174,66 aan ingehouden voorschot wordt toegewezen, nu GeriCall onvoldoende heeft gestelde voor het oordeel dat de door haar toegepaste verrekening gerechtvaardigd zou zijn. Hierover wordt de wettelijke verhoging gematigd tot 10%. Een thuiswerkvergoeding en vergoeding voor printercartridges is niet tussen partijen overeengekomen, zodat de juridische grondslag voor deze verzoeken ontbreekt. Omdat niet is vast komen te staan dat GeriCall het overwerk van werknemer heeft opgedragen of hiermee heeft ingestemd, wordt dit verzoek eveneens afgewezen. Ook de verzoeken tot betaling van een bereikbaarheidsvergoeding en vergoeding voor mobiele-telefoonkosten worden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.