Rechtspraak
Hoge Raad (Locatie Den Haag), 10 november 1972
ECLI:NL:HR:1972:AC1656
Feiten
Werknemer is als nacalculator in dienst geweest van de Koninklijke Maatschappij De Schelde (hierna: KMS). Op 17 en 18 februari 1972 heeft werknemer geen arbeid kunnen verrichten, omdat een aantal stakende medewerkers van KMS door het barricaderen van de hoofdpoort van het bedrijf van KMS en het blokkeren van de daarnaast gelegen voetgangersingang hem hebben verhinderd het terrein van KMS te betreden en aldaar zijn werkzaamheden te verrichten. Tussen partijen staat ter discussie of werknemer aanspraak behoudt op loon gedurende de twee genoemde dagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werknemer over die dagen recht heeft op betaling van loon. Volgens de kantonrechter is het risico dat ten gevolge van ‘wilde’ acties bepaalde werknemers de bedongen arbeid niet kunnen verrichten binnen zekere grenzen als een normaal bedrijfsrisico te beschouwen. Dit is volgens de kantonrechter ongetwijfeld het geval wanneer de stillegging van het bedrijf slechts van korte duur is geweest. Er kan een vergelijking worden gemaakt met het bepaalde in artikel 1638c BW, inhoudend dat de arbeider zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een betrekkelijk korte tijd behoudt wanneer hij ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. Ook dan draagt de werkgever het risico van een omstandigheid waaraan hij verder part noch deel heeft. In dit licht bezien moet de ‘wilde’ staking worden beschouwd als een de werkgeefster persoonlijk betreffende toevallige verhindering, aldus de kantonrechter. Vervolgens is door de procureur-generaal cassatie in het belang der wet ingesteld.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Een redelijke toepassing van de artikelen 1638b en 1638d BW brengt mee dat de arbeider zijn aanspraak op loon behoudt indien de bedongen arbeid – buiten schuld van beide partijen – niet gebruikt kan worden ten gevolge van een omstandigheid die in de verhouding tussen de partijen meer in de risicosfeer van de werkgever of diens bedrijf ligt dan in die van de arbeider. In dit geval heeft werknemer op 17 en 18 februari 1972 geen arbeid voor KMS kunnen verrichten, omdat stakende arbeiders in dienst van KMS door het barricaderen van de hoofdpoort van het bedrijf van KMS en het blokkeren van de daarnaast gelegen voetgangersingang, werknemer hebben verhinderd het terrein van KMS te betreden en aldaar zijn werkzaamheden te verrichten. Het betrof hier een staking waaraan slechts een klein aantal van de werknemers van KMS heeft deelgenomen en waar werknemer persoonlijk buiten stond. De staking, die een regeling omtrent lonen en andere arbeidsvoorwaarden in de metaalindustrie tot inzet had, was gericht tegen KMS als werkgever in die industrie en het voortduren van de actie was mede afhankelijk van beleidsbeslissingen van de werkgever, die zowel de vraag of en in hoeverre aan de eisen van de stakers zou worden toegegeven, als de vraag of politiehulp tegen de barricaderende arbeiders zou worden ingeroepen, had te beoordelen. Gelet op het bovenstaande is de Hoge Raad van oordeel dat de kantonrechter de betekenis van de artikelen 1638b en 1638d BW niet heeft miskend door de omstandigheden die in dit geval de werkgever hebben verhinderd van de arbeid van werknemer gebruik te maken, als een de werkgever persoonlijk betreffende, toevallige verhindering te beschouwen, en door op grond daarvan te oordelen dat werknemer zijn aanspraak op loon over de dagen waarin hem de toegang tot het terrein van zijn werk was ontzegd, niet uit hoofde van artikel 1638b BW heeft verloren. Het beroep wordt verworpen.