Rechtspraak
Feiten
Verzoeker in het hoofdgeding heeft van 28 mei 2001 tot en met 21 januari 2008 als ambtenaar in tijdelijke dienst en op basis van één enkele aanstelling de post van coördinerend dierenarts bezet bij de autonome regio. Overeenkomstig de indeling van de posten van de openbare dienst die van toepassing is op de autonome regio en op grond waarvan alle posten in niveaus worden ingedeeld op een schaal van 1 tot en met 30, werd aan verzoeker in het hoofdgeding voor deze functie rang 24 toegekend. Bij besluit van 7 maart 2006 werden ter bestendiging van tijdelijke dienstverbanden en ter stabilisering van de werkgelegenheid voor personeel in de zorg selectietests om toegang te krijgen tot het hogere kader van de autonome regio aangekondigd. Het ging specifiek om de specialiteit ‘gezondheid’ (dierenartsen). Volgens dat besluit werd de diensttijd die door ambtenaren in tijdelijke dienst is vervuld in functies die deel uitmaken van dat kader, gewaardeerd tegen 0,25 punten voor elke volledige dienstmaand tot een maximum van 40 punten. Verzoeker in het hoofdgeding is voor die selectietests geslaagd. Op 10 november 2015 is hij met ingang van 22 januari 2008 aangesteld in vaste dienst en daarbij ingedeeld in rang 22. Bij brief van 18 maart 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding de autonome regio verzocht om consolidatie van rang 24, op grond dat hij als ambtenaar in tijdelijke dienst een post had bekleed die met die rang overeenstemde.
De verwijzende rechter herinnert eraan dat een ambtenaar die tijdelijk, met name in geval van detachering, een hogere functie vervult, geen recht heeft op consolidatie van de daarmee overeenkomende rang, maar wel van de rang die overeenkomt met de functie waarin hij in vaste dienst wordt aangesteld. In die omstandigheden twijfelt de verwijzende rechter aan de vergelijkbaarheid van de situaties in het hoofdgeding en vraagt hij zich af of het begrip ‘vergelijkbare werknemer in vaste dienst’ aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluitend betrekking heeft op de aard van de relatie met de autonome regio, en dus op de vraag of het om een ambtenaar in vaste dienst of om een ambtenaar in tijdelijke dienst gaat, dan wel of het ook van belang is of de post permanent dan wel tijdelijk door de ambtenaar wordt bezet.
Voor ambtenaren in vaste dienst is de verticale loopbaanontwikkeling en daarmee de verwerving van de te consolideren rangen een lineair proces, hetgeen het gevolg is van de bestuurlijke structuur zelf en tot doel heeft om ambtenaren in vaste dienst te motiveren en hun prestaties te verbeteren. Een ambtenaar in tijdelijke dienst treedt daarentegen niet toe tot een categorie en wordt niet in een groep ingedeeld, aangezien hij wordt aangesteld om, afhankelijk van de behoefte, vacatures in verschillende categorieën en groepen te vervullen en posten niet permanent bezet. Toestaan dat de rang die iemand als ambtenaar in tijdelijke dienst had, wordt geconsolideerd, kan er volgens de verwijzende rechter toe leiden dat er in de verticale loopbaan als ambtenaar in vaste dienst ‘sprongen worden gemaakt’ en ‘stappen worden overgeslagen’, zonder dat de betreffende ambtenaar aan de andere wettelijke vereisten behoeft te voldoen. Dit verstoort de opzet van de loopbaanontwikkeling.
De verwijzende rechter stelt daarom de volgende vragen:
‘(1) Moet het begrip ‘vergelijkbare werknemers in vaste dienst’ in de zin van clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst aldus worden uitgelegd dat de diensttijd die een ambtenaar in vaste dienst, alvorens die status te verkrijgen, als ambtenaar in tijdelijke dienst heeft vervuld, in het kader van de consolidatie van zijn rang moet worden gelijkgesteld met de door andere ambtenaren in vaste dienst vervulde diensttijd?
(2)Moet clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst aldus worden uitgelegd dat i) de omstandigheid dat die diensttijd reeds in aanmerking is genomen toen de betrokkene ambtenaar in vaste dienst is geworden, en ii) de opzet van de in het nationale recht vastgestelde regeling voor verticale loopbaanontwikkeling van ambtenaren objectieve redenen zijn op grond waarvan er met de diensttijd die de ambtenaar in vaste dienst, alvorens die status te verkrijgen, als ambtenaar in tijdelijke dienst heeft vervuld, geen rekening wordt gehouden voor de consolidatie van zijn rang?’
Oordeel
Om te beoordelen of werknemers hetzelfde of soortgelijk werk in de zin van de raamovereenkomst verrichten, moet overeenkomstig clausule 3, punt 2, en clausule 4, lid 1, worden onderzocht of deze werknemers kunnen worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden, gelet op een reeks van factoren, zoals de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden (HvJ EU 20 juni 2019, C-72/18, ECLI:EU:C:2019:516 (Ustariz Aróstegui), punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om na te gaan of ambtenaren in vaste dienst zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van ambtenaren in tijdelijke dienst (zie in die zin Ustariz Aróstegui, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in casu de situatie van verzoeker in het hoofdgeding als ambtenaar in tijdelijke dienst identiek was aan die waarin hij zich als ambtenaar in vaste dienst bevindt, wat zijn taken als coördinerend dierenarts, het vereiste diploma, de arbeidsplaats en de overige arbeidsvoorwaarden betreft.
De verwijzende rechter merkt echter op dat een ambtenaar in vaste dienst die in het kader van een detachering tijdelijk een functie van een hoger niveau vervult dan die waarin hij op permanente basis is aangesteld, niet de rang consolideert die overeenkomt met de functie die hij in het kader van de detachering vervult, maar de rang van de functie waarin hij op permanente basis is aangesteld. Deze rechter vraagt zich dan ook af of de consolidatie door een ambtenaar in vaste dienst van de hogere rang die hij had als ambtenaar in tijdelijke dienst, omgekeerde discriminatie ten nadele van ambtenaren in vaste dienst zou opleveren. Dienaangaande zij benadrukt dat uit de tekst van clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst voortvloeit dat het volstaat dat de betrokken werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, opdat die eersten zich op deze clausule kunnen beroepen (Ustariz Aróstegui, punt 31).
Verzoeker in het hoofdgeding heeft gedurende meerdere jaren, als ambtenaar in tijdelijke dienst en op basis van één enkele aanstelling, de post van coördinerend dierenarts bij de autonome regio bezet. Op grond van het in de autonome regio geldende systeem voor de indeling van posten werd hij in rang 24 ingedeeld. De situatie van verzoeker in het hoofdgeding moet dus worden vergeleken met die van een ambtenaar in vaste dienst die een dergelijke functie op permanente basis vervult.
Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor de consolidatie van de rang geen rekening wordt gehouden met de prestaties die een ambtenaar in vaste dienst, alvorens die status te verkrijgen, als ambtenaar in tijdelijke dienst heeft verricht.