Rechtspraak
Feiten
Werknemer is van 1 maart 2018 tot en met 13 oktober 2018 werkzaam geweest voor werkgever. Daarvoor was werknemer van 23 juli 2003 tot 1 maart 2018 in dienst bij X. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de anciënniteit wordt meegenomen. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor beroepsgoederenvervoer (‘de cao’) van toepassing. Op 12 oktober 2018 is bekend geworden dat de cao-partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van een vakantiedag. Werknemer heeft het bedrag van € 750 bruto aan werknemer aangeboden, maar dat heeft werknemer niet geaccepteerd. Werknemer heeft X bij brief van 17 mei 2019 verzocht om betaling van achterstallig loon over 2014 tot en met 31 maart 2018. Bij brieven van 9 augustus 2019 heeft werknemer X verzocht om betaling van € 6.000,80 bruto en werkgever verzocht om betaling van € 1.641,71 bruto. X heeft bij brief van 26 september 2019 werknemer doorverwezen naar ZZ Groep omdat zij per 1 maart 2018 door haar is overgenomen. Werknemer vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het loon tijdens vakantie bevat de beloning voor de overuren alsook de overige ontvangen toeslagen, die in een periode van 52 weken gemiddeld per loonperiode zijn betaald en vordert dat de kantonrechter werkgever veroordeelt tot betaling van € 7.642,51 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat sprake is van overgang van onderneming tussen werkgever en zijn rechtsvoorganger X. Werkgever heeft betwist dat sprake is van overgang van onderneming en daartoe enkel aangevoerd dat hij (alleen) een deel van de ritten, namelijk die naar Italië, heeft overgenomen. De kantonrechter overweegt dat ook sprake kan zijn van overgang van onderneming en behoud van identiteit als zoals in het voorliggende geval (slechts) een deel van de onderneming overgaat. Mede gelet op hetgeen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen is opgenomen oordeelt de kantonrechter dat in dit geval sprake is van overgang van onderneming. Voor zover werknemer een vordering had op X uit hoofde van zijn dienstverband bij X, is die vordering overgegaan op werkgever. De kantonrechter overweegt voorts dat Europees recht van toepassing is. Vaststaat dat overwerk bij het werk van werknemer hoorde, nu uit de stelling van werkgever dat er een ‘natuurlijk’ verschil zit tussen een (binnenlandse) pendel en een rit naar Italië, volgt dat de bedrijfsvoering van werkgever erop is gericht dat de (internationale) chauffeurs overuren maken en dat het verrichten van overwerk onderdeel was van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever. Voor zover alleen verplicht overwerk onderdeel is van het vakantieloon, oordeelt de kantonrechter dat het overwerk dat werknemer heeft verricht verplicht was en dus onderdeel van het vakantieloon. Werkgever heeft verder betwist dat werknemer structureel overwerk verrichtte. Uit de stukken kan opgemaakt dat vrijwel elke periode een vergoeding voor overwerk is betaald, zodat sprake is van structureel overwerk. Het doel van de Richtlijn is om de werknemer in een situatie te brengen die vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes. Tijdens de gewerkte periodes had werknemer, zoals hiervoor is overwogen, structureel recht op (overwerk)toeslagen en vergoedingen. Het opnemen van vakantie zou hem in een financieel nadelige positie hebben gebracht als de (overwerk)toeslagen niet zouden worden uitbetaald. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de vergoeding van overuren deel uitmaakt van het vakantieloon. Werkgever heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door werknemer gevorderde bedrag aan achterstallig loon. Het door werknemer gevorderde bedrag wordt dan ook toegewezen, inclusief de wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke rente te matigen tot 10%. De verklaring voor recht ten aanzien van de berekeningswijze wordt toegewezen.