Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 juli 1989 in dienst getreden bij Oceana B.V. (hierna: Oceana) in de functie van sjorder. Oceana is op 17 december 1996 failliet verklaard. Op 1 juli 2003 is het faillissement opgeheven wegens een gebrek aan baten. Werkgever heeft na het faillissement een deel van het personeel en de werkzaamheden van Oceana overgenomen. Werknemer heeft in de periode vanaf 1 januari 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaamheden verricht voor Unilash B.V. (hierna: Unilash). Werknemer heeft vanaf (in ieder geval) 1 november 2007 werkzaamheden verricht voor werkgever. Binnen werkgever is (onder meer) een bedrijfsverkeersreglement 2005 en een ECT veiligheidshandboek van toepassing. Daarnaast maakt werkgever gebruik van een regelingenboek en een veiligheidsinstructieboek. Werkgever heeft op 1 september 2005 een Risico-Inventarisatie & Evaluatie (hierna: RI&E) opgemaakt waarin de fysieke belasting van werknemers als onvoldoende wordt beoordeeld. In de jaren daarna is meermaals onderzoek gedaan naar de fysieke belasting van de sjorders bij werkgever. Daaruit is gebleken dat de sjorders worden blootgesteld aan hoge fysieke piekbelasting, maar dat er ook voldoende korte, natuurlijke pauzemomenten zijn en dat het verder reduceren van de blootstellingsduur naar verwachting nauwelijks zal bijdragen aan de gezondheid. De Arbeidsinspectie heeft bij brief van 10 januari 2013 aan werkgever gemeld dat zij voornemens is om eisen te stellen aan werkgever op het gebied van de fysieke belasting van werknemers die zeecontainers sjorren. Aanleiding hiervoor is dat bij een inspectie is geconstateerd dat werknemers – in strijd met artikel 5.2 en 5.3 Arbeidsomstandighedenbesluit – worden blootgesteld aan een te zware fysieke belasting. Op 21 mei 2013 is werknemer definitief uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van chronische nek- en rugklachten. In 2014 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat een terugkeer naar de eigen werkzaamheden niet haalbaar is. In 2016 heeft de arbeidsdeskundige werknemer opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat werknemer 80-100% arbeidsongeschikt is, maar ook dat de verwachting is dat de medische situatie en de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen verbeteren en toenemen. Het UWV heeft op 19 april 2016 aan werkgever een ontslagvergunning verleend vanwege de langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer. In geschil is of werkgever aansprakelijk is voor door werknemer geleden schade.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Aangezien geen sprake was van overgang van onderneming van Oceana naar werkgever, is werkgever niet aansprakelijk voor de schade die werknemer heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden voor Oceana. Verder staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat werknemer vanaf 31 december 1996 steeds onder leiding en toezicht van werkgever heeft gewerkt, zodat in het midden kan blijven wie heeft te gelden als formele werkgever. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is werkgever namelijk hoe dan ook aansprakelijk voor de schade die werknemer mogelijk in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden vanaf 31 december 1996. De kantonrechter vervolgt met de overweging dat de verdeling van de stelplicht en bewijslast mede betekent dat werknemer zal moeten stellen (en zo nodig bewijzen) welke werkzaamheden hij heeft verricht vanaf 31 december 1996. Dat staat op dit moment onvoldoende vast. Werknemer heeft de aard van zijn werkzaamheden weliswaar beschreven, maar heeft daarbij geen onderscheid gemaakt in de periode tot 31 december 1996 en de periode daarna. Hij heeft evenmin ten aanzien van alle werkzaamheden voldoende inzichtelijk gemaakt gedurende welke periode en in welke frequentie hij die werkzaamheden uitvoerde. Werknemer wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover bij akte uit te laten. Het ligt daarbij op zijn weg om een zo concreet en overzichtelijk mogelijke weergave te geven van zijn werkzaamheden vanaf 31 december 1996. Daarbij zal hij per werkzaamheid beknopt dienen aan te geven op welke wijze, gedurende welke periode en in welke frequentie hij die uitvoerde. Vervolgens zal werkgever in de gelegenheid worden gestel daarop te reageren. De kantonrechter verwijst de zaak naar een later moment en houdt verder iedere beslissing aan.