Naar boven ↑

Rechtspraak

eiser/gedaagde
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 augustus 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:4794
Kort geding. Kwalificeert de tussen partijen overeengekomen overeenkomst van opdracht als een arbeidsovereenkomst? Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er op zijn minst twijfel of is voldaan aan de vereisten van artikel 7:610 BW. Vordering van eiser afgewezen.

Feiten

Eiser in kort geding is een van de medeoprichters van een online platform. Dit platform is ondergebracht in een holding. Door middels van zijn persoonlijke vennootschap heeft eiser een minderheidsbelang van 17,7% in het aandelenkapitaal van de holding. Eiser vordert in kort geding veroordeling van de holding (hierna: gedaagde) tot betaling van salaris en tot wedertewerkstelling, stellende dat hij weliswaar met gedaagde een overeenkomst van opdracht is aangegaan, maar dat er in feite sprake is van rechtsverhouding die moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 e.v. BW. In de aandeelhoudersovereenkomst d.d. 1 juli 2021 is onder meer bepaald dat de managers/oprichters een managementovereenkomst zullen aangaan met gedaagde, waarbij een management fee zal worden betaald van € 4.000 per maand exclusief btw. Tussen gedaagde en eiser is een document ondertekend op 1 mei respectievelijk 7 juni 2021, getiteld “overeenkomst van opdracht”. In de considerans van de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW en dat zij uitdrukkelijk niet beogen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW. In de overeenkomst van opdracht is bepaald dat eiser, indien te voorzien is dat hij zelf de werkzaamheden niet kan uitvoeren, zich kan laten vervangen, waarbij de vervanger moet voldoen aan objectieve kwalificaties. Eiser meldt zich ziek en heeft niet voor vervanging gezorgd. Gedaagde bericht eiser dat in haar visie de werkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd en dat zij op die grond haar verplichtingen uit de overeenkomst opschort en zich daarbij het recht voorbehoudt de overeenkomst op te zeggen of te ontbinden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voorop wordt gesteld dat eiser een loonvordering heeft ingesteld en tewerkstelling heeft gevorderd, in zijn (veronderstelde) hoedanigheid als werknemer. Welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen moet worden beoordeeld aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Nadat de kantonrechter deze rechten en verplichtingen heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (kwalificatie). Bij deze kwalificatie geldt dat, indien voldaan is aan de omschrijving van artikel 7:610 BW, de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Daarbij is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Aldus is niet van belang dat partijen op papier hebben gezet dat zij nadrukkelijk de bedoeling hadden een overeenkomst van opdracht aan te gaan en geen arbeidsovereenkomst. Ook de omstandigheid dat eiser aan gedaagde facturen inclusief btw heeft verzonden, is niet van doorslaggevende betekenis. De kantonrechter acht wel van belang dat eiser, door middel van zijn holding, aandeelhouder is van gedaagde en dat in de aandeelhoudersovereenkomst de verplichting is opgenomen dat de aandeelhouders/managers met gedaagde een overeenkomst van opdracht aangaan. Vanuit hun positie als (middellijk) aandeelhouder/oprichter wijst dit niet in de richting van een gezagsverhouding, eerder op een voor alle betrokkenen gelijke positie. Ook de in de overeenkomst opgenomen vervangingsplicht wijst niet in de richting van een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter is er op zijn minst twijfel over de vraag of is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Vorderingen van eiser zijn afgewezen.