Naar boven ↑

Rechtspraak

weduwe van werknemer/Vis Bouwservice B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 3 mei 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:7575
Werkgever dient weduwe van overleden werknemer de transitievergoeding (€ 43.902,75) te betalen. De arbeidsovereenkomst is door werkgever opgezegd en het overlijden van werknemer voordat de arbeidsovereenkomst door opzegging zou eindigen, doet hier niet aan af.

Feiten

Werknemer is op 25 augustus 1982 in dienst getreden bij (rechtsvoorganger van) Vis Bouwservice B.V in de functie van monteur, waarbij hij een salaris genoot van laatstelijk € 3.106,62 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor Bouw & Infra (hierna: de cao) van toepassing. In artikel 1.6.5. van de cao staat dat de werkgever bij overlijden van de werknemer een overlijdensuitkering dient uit te betalen die gelijk is aan het vast overeengekomen salaris van de werknemer over de periode van de dag van overlijden tot het eind van die maand en de twee maanden daarna. Aan werknemer is per februari 2021 een vervroegde IVA-uitkering toegekend. Bij brief van 31 oktober 2021 heeft Vis Bouwservice laten weten de arbeidsovereenkomst op 27 november 2021 te beëindigen omdat werknemer op dat moment twee jaar ziek is. Op 19 november 2021 is werknemer komen te overlijden. De weduwe van werknemer (hierna: verzoekster) heeft een overlijdensuitkering van € 2.434,92 netto ontvangen van het UWV en een bedrag van € 4.475,42 netto aan overlijdensuitkering van Vis Bouwservice. Verzoekster verzoekt in deze procedure Vis Bouwservice te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 43.902,75 bruto en de achterstallige overlijdensuitkering van € 3.465,10 netto.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Verzoekster verzoekt veroordeling tot betaling van de transitievergoeding als gevolg van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever (art. 7:673 lid 1 onder a ten 1° BW), aangezien de brief van Vis Bouwservice kan worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Vis Bouwservice stelt dat de brief niet is aan te merken als een opzegging, maar slechts als een aankondiging voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst na verloop van 104 weken ziekte. De kantonrechter volgt deze stelling niet. Uit het voorgaande blijkt dat het de bedoeling was van Vis Bouwservice dat de arbeidsovereenkomst op 26 november 2021 zou eindigen en in dat licht was de brief wel degelijk aan te merken als een opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 26 november 2021. Voor de beoordeling of de transitievergoeding verschuldigd is, is de opzegging van de arbeidsovereenkomst relevant en niet de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Door het overlijden van werknemer is de arbeidsovereenkomst eerder tot een einde gekomen (art. 7:674 lid 1 BW), maar dit neemt niet weg dat op het moment van overlijden de arbeidsovereenkomst reeds is opgezegd. Vis Bouwservice heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de transitievergoeding niet verschuldigd is, omdat het een voorwaarde was dat zij de transitievergoeding vergoed zou krijgen van het UWV in de zin van artikel 7:673e BW. Vis Bouwservice beroept zich op haar e-mail van 1 december 2020 waarin zij beschrijft dat het UWV de transitievergoeding vergoedt na 104 weken ziekte. De kantonrechter leest in die e-mail geen tussen partijen overeengekomen voorwaarde dat werknemer alleen de transitievergoeding zou ontvangen, indien de werkgever dat vergoed zou krijgen van het UWV. Hoewel dit een ongelukkige situatie oplevert voor Vis Bouwservice waarin zij veronderstelde dat de arbeidsovereenkomst op 27 november 2021 zou eindigen en dat zij de te betalen transitievergoeding door het UWV vergoed zou krijgen, ziet de kantonrechter geen ruimte om werkgever hierin tegemoet te komen op grond van de redelijkheid en billijkheid, juist omdat de verschuldigdheid van de transitievergoeding voortvloeit uit de wet. Het verzoek van verzoekster wordt toegewezen. Ten aanzien van de hoogte van de overlijdensuitkering oordeelt de kantonrechter dat deze verplichting voortvloeit uit de toepasselijke cao, waarin staat opgenomen dat wordt afgeweken van artikel 7:674 BW. Deze afwijking ziet volgens de kantonrechter slechts op de hoogte van de uitkering en niet op een wijziging van de overige wettelijke bepalingen omtrent de uitkering. Vis Bouwservice heeft dus terecht het bedrag in mindering mogen brengen op de uitkering op grond van de cao. Dit verzoek van verzoekster zal worden afgewezen.