Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 juli 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2086
Feiten
Adelbrecht Vastgoed Beheermaatschappij B.V. (hierna: Adelbrecht) een onderneming die, onder andere, onroerende zaken van derden beheert en exploiteert. In dit kader laat zij soms onderhoudswerkzaamheden verrichten aan de door haar beheerde zaken. De huurpenningen die de huurders van de betrokken onroerende zaken aan de eigenaren daarvan verschuldigd zijn, worden geïnd door de Stichting Kwaliteitsgelden Adelbrecht (hierna: de Stichting). Werknemer is van 1 januari 2009 tot 19 april 2017 in dienst van Adelbrecht geweest. Op 22 april 2013 heeft X onderneming Y opgericht. Werknemer en X hebben elkaar leren kennen via een datingsite. X heeft daarna opdrachten gegeven aan aannemers voor onderhoudswerkzaamheden aan door Adelbrecht beheerde onroerende zaken. X heeft bovenop het onderhoud facturen opgemaakt en geadresseerd aan de eigenaar van de onroerende zaken. Deze facturen zijn naar Adelbrecht toegestuurd en de in rekening gebrachte bedragen zijn verhoogd met een opslag. De facturen zijn voldaan en X heeft de opslag aan werknemer overgemaakt. Werknemer is op 19 april 2017 op staande voet ontslagen. Werknemer heeft berust in het ontslag op staande voet en een schadevergoeding betaald. Bij twee brieven van 24 januari 2018 is Adelbrecht door derden voor wie zij onroerende zaken beheert of exploiteert, aansprakelijk gesteld voor de schade die deze derden hebben geleden als gevolg van het handelen van werknemer. Adelbrecht heeft de aansprakelijkheid erkend. Adelbrecht heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de kantonrechter waarin de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding heeft afgewezen.
Oordeel
De vraag moet worden beantwoord of werknemer tegenover Adelbrecht aansprakelijk is voor de schade die Adelbrecht stelt te hebben geleden en of er recht bestaat op een schadevergoeding. Werknemer was in zijn functie bij Adelbrecht belast met het begeleiden van onderhoud aan onroerende zaken voor derden. Vaststaat dat werknemer onderhoudsopdrachten heeft verstrekt aan onderneming Y en dat Y de bedragen heeft verhoogd met een opslag en die bij Adelbrecht in rekening heeft gebracht. Het staat vast dat dat de verhoging van facturen van aannemers door Y geen zakelijk doel heeft gediend en dat daartegenover geen werkzaamheden zijn verricht voor Adelbrecht en de derden voor wie zij onroerende zaken beheert, zodat enkel werknemer baat heeft gehad bij de inschakeling van Y en de door haar toegepaste verhogingen, voor zover deze aan hem zijn overgemaakt of uitbetaald. Niet gebleken is dat Adelbrecht in haar verhouding tot de derden gerechtigd was om zulke onzakelijke verhogingen ten laste van derden te brengen. Adelbrecht is dan ook door het handelen van werknemer in de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst in haar vermogen geschaad, namelijk tot het bedrag van de verhogingen waarvoor zij tegenover derden aansprakelijk is. Werknemer heeft opzettelijk de schade toegebracht aan Adelbrecht, waardoor hij op grond van artikel 7:661 BW aansprakelijk is voor de geleden schade. Aan de aansprakelijkheid van werknemer staat niet in de weg dat Adelbrecht feitelijk nog niet aan alle derden voor wie zij onroerende zaken beheert of exploiteert en die door de omstreden verhogingen zijn benadeeld, de schade heeft vergoed. Op de eerste plaats laat dit onverlet dat Adelbrecht voor de volledige schade van de benadeelde derden aansprakelijk is en dus tot het beloop van die aansprakelijkheid in haar vermogen is geschaad, ook voor zover de betrokken derden daarvan thans nog geen vergoeding hebben ontvangen. Op de tweede plaats is voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:661, eerste lid, BW niet vereist dat Adelbrecht de door werknemer toegebrachte schade al aan de betrokken derden heeft vergoed, maar uitsluitend dat zij tot vergoeding van die schade is gehouden. Aan dit vereiste is voldaan. Werknemer is dan ook aansprakelijk voor de geleden schade ter hoogte van € 423.407,89.