Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 30 juli 2019
ECLI:NL:RBOVE:2019:2651
Feiten
X heeft een eenmansbedrijf gedreven onder de naam ‘Natural Glo Cosmetics’. Y is de echtgenote van X. Op 24 respectievelijk 27 oktober 2014 heeft onder meer X een overeenkomst (hierna: ‘kaderovereenkomst’) getekend waarin onder meer de verhuur van de naam Natural Glo aan Rapide B.V. (hierna: Rapide) is opgenomen. Op 27 respectievelijk 30 oktober 2014 hebben Rapide en X een arbeidsovereenkomst getekend. In die 'arbeidsovereenkomst' is onder meer opgenomen dat de rechten van het dienstverband overgaan op Y, indien X overlijdt. In juni 2014 heeft in het kader van de ‘arbeidsovereenkomst’ een mailwisseling over de oudedagvoorziening plaatsgevonden. Vanaf april 2017 worden de maandelijkse betalingen aan X op de bankrekening van Y gestort. Vanaf januari 2019 zijn die betalingen gestopt, omdat Rapide beide overeenkomsten heeft opgezegd tegen 1 januari 2019. X en Y vorderen onder meer de vernietiging van de buitenrechtelijke opzegging door Rapide en stellen meerdere vorderingen in die zowel op de 'kaderovereenkomst' als de 'arbeidsovereenkomst' betrekking hebben.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de vorderingen van X en Y kennis te nemen. Weliswaar hebben X en Rapide een schriftelijk stuk getekend met de titel ‘Arbeidsovereenkomst’, maar het moge duidelijk zijn dat partijen niet hebben bedoeld een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW te sluiten. Niet alleen wordt in de ‘arbeidsovereenkomst’ uitdrukkelijk verwezen naar de ‘kaderovereenkomst’, ook is een arbeidsovereenkomst voor de duur van het leven van een werknemer, zoals in bedoelde overeenkomst is bepaald, niet mogelijk en kunnen de rechten uit een arbeidsovereenkomst bij het overlijden van de werknemer niet overgaan op een ander. Van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid is dan immers geen sprake. Ook blijkt uit een e-mailbericht van juni 2014 genoegzaam dat het de bedoeling is geweest een oudedagvoorziening te treffen en dat de arbeidsovereenkomst is opgesteld om op ‘de meest voordelige wijze’ de maandelijkse betaling aan X te laten plaatsvinden. Het is niet de bedoeling van partijen geweest een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW te sluiten en partijen hebben hier ook niet naar gehandeld. Nu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een onbenoemde overeenkomst, is voor de bevoegdheid van de kantonrechter de hoogte van hetgeen door X en Y wordt gevorderd van belang. Weliswaar wordt over de periode van juni 2018 tot en met november 2018 slechts een bedrag van € 6.200 gevorderd, maar nu de gevorderde verklaring voor recht een waarde vertegenwoordigt van een aanzienlijk hoger bedrag dan € 25.000, is niet de kantonrechter de bevoegde rechter, maar de handelskamer van de rechtbank. De kantonrechter verwijst zodoende de zaak naar die kamer.