Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 10 juni 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:2387
Afwijzing vorderingen verklaring voor recht en veroordeling tot betalen hogere beëindigingsvergoeding dan op grond van Sociaal Plan geldt. Werknemer heeft geen schade geleden door onjuiste uitingen.

Feiten

Werknemer is sinds 1 januari 2015 in dienst bij werkgeefster met een salaris van € 6.565,58 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao HP voor de Zuivelindustrie van toepassing. Op 23 november 2020 heeft werkgeefster besloten tot een reorganisatie en werknemer aangewezen als herplaatsingskandidaat omdat zijn functie zou komen te vervallen per 1 april 2021. Op de reorganisatie is het Sociaal Plan 2016-2018 van werkgeefster (hierna: sociaal plan) van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is op 22 november 2021 geëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso), waarbij werkgeefster een vergoeding van € 56.301,36 aan werknemer heeft betaald. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat er geen overeenstemming is over de hoogte van de schadeloosstelling. Werkgeefster zou namelijk in de aanloop tot de vso als schadeloosstelling steeds een bedrag op basis van rekenfactor 1,5 hebben toegezegd en dit uiteindelijk hebben aangepast naar een factor 1. Werknemer stelt dat hij op grond van de eerder voorgehouden schadeloosstelling heeft ingestemd met het verlies van zijn functie, wat hij anders niet zou hebben gedaan. Werknemer vordert verder de veroordeling van werkgeefster tot betaling van een bedrag van het verschil tussen de ontvangen vergoeding en de juiste schadeloosstelling.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat voor de berekening van de beëindigingsvergoeding na boventalligheid de tekst van het sociaal plan leidend is. Dit is bovendien vermeld op de door werknemer overgelegde tekst van de presentatie van het Mobiliteitscentrum van werkgeefster, die in september 2020 is gehouden. Verder staat in het sociaal plan dat de berekening van de schadeloosstelling bij een brutomaandinkomen van meer dan € 6.250 wordt gebaseerd op één maandinkomen per dienstjaar. Dat is rekenfactor 1. Er zijn uitlatingen gedaan door medewerkers van het Mobiliteitscentrum van werkgeefster over de vergoeding, maar deze uitlatingen heeft werknemer niet mogen opvatten als een aanbod van werkgeefster om aan hem meer geld te betalen dan waarop hij volgens het sociaal plan recht had. Het staat daarom niet vast dat partijen al vóór de vso een overeenkomst zijn aangegaan over een vergoeding op basis van een factor 1,5. Werknemer stelt verder dat hij schade heeft geleden door foutieve antwoorden van het Mobiliteitscentrum, omdat hij zich bij correcte antwoorden over de beëindigingsvergoeding tijdens het herplaatsingstraject anders zou hebben opgesteld. Werknemer heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij met die opstelling in dienst zou zijn gebleven of een hogere vergoeding zou hebben kunnen afdwingen dan de vergoeding waarop hij volgens het sociaal plan recht heeft gekregen. Werknemer heeft dus onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden. De kantonrechter is verder niet gebleken dat toepassing van het sociaal plan, gelet op de persoonlijke omstandigheden van werknemer, heeft geleid tot een evident onbillijke situatie, waardoor werkgeefster daarvan had moeten afwijken. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.