Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 12 april 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:3493
Feiten
Werknemer is op 18 december 2018 als chauffeur in dienst getreden bij Logidist Transport B.V. (hierna: Logidist). De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Partijen verschillen van mening over de overeengekomen duur van de arbeidsovereenkomst. In de procedure zijn twee verschillende ondertekende arbeidsovereenkomsten overgelegd, één met als einddatum 18 juni 2019 (waarop Logidist zich beroept) en één met als einddatum 31 december 2019 (waarop werknemer zich beroept). Het hof heeft werknemer toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019 (zie AR 2022-1017). Werknemer heeft twee getuigen laten horen, te weten zijn zwager en een oud-collega. Het hof heeft na afloop van het getuigenverhoor aan beide partijen gevraagd de originelen van de arbeidsovereenkomst waarop ieder van hen zich beroept te deponeren. Logidist heeft dat gedaan, werknemer niet.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat werknemer niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en overweegt als volgt. De oud-collega van werknemer heeft verklaard dat hij niets weet over de contractduur die is afgesproken tussen partijen. Zijn verklaring draagt dus niet bij tot het bewijs. De zwager van werknemer heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij een gesprek tussen werknemer en de directeur van Logidist. Hij heeft verklaard dat, voor zover hij zich kan herinneren, toen is gesproken over een jaarcontract. De zwager van werknemer heeft verder verklaard dat hij op een avond vanuit de auto heeft gezien dat de directeur en werknemer bij een vrachtwagen een contract hebben ondertekend. Dat contract heeft hij toen hij weer thuis was ingezien en hierin stond volgens hem een duur van zes maanden. Volgens de verklaring van de zwager heeft werknemer later met de directeur besproken dat hij een jaarcontract nodig had voor het verkrijgen van een woning (werknemer verbleef op dat moment met zijn gezin bij zijn zwager). De zwager verklaarde dat werknemer vervolgens een nieuw contract heeft gekregen, maar dat hij daar niet bij was. Later heeft hij ook dit contract gezien en daarin stond nu een duur van één jaar, aldus de zwager. Het hof oordeelt de verklaring onvoldoende om werknemer in zijn bewijsopdracht te laten slagen, onder meer nu de zwager niet bij de ondertekening van het tweede contract is geweest. De enkele verklaring van de zwager dat er in het eerste gesprek tussen werknemer en de directeur is gesproken over een jaarcontract is ook onvoldoende duidelijk om daaruit te kunnen concluderen dat sprake is van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Werknemer heeft geen andere bewijsmiddelen overgelegd. Zo heeft hij volgens het hof niet, zoals verzocht, de originele arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar gedeponeerd. Omdat werknemer niet is geslaagd in het bewijs, staat vast dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden. Die overeenkomst eindigde van rechtswege op 18 juni 2019 en hoefde dus niet opgezegd te worden. Op grond van artikel 7:668 BW moest Logidist werknemer uiterlijk 18 mei 2019 aanzeggen of de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet. Vaststaat dat Logidist in elk geval op 5 juni 2019 schriftelijk heeft aangezegd. De vergoeding zou dus hooguit het loon over de periode 18 mei tot 5 juni 2019 bedragen. Volgens Logidist heeft zij werknemer echter ook al eerder, op 13 mei 2019, schriftelijk bericht dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet en hem toen aangeboden de samenwerking als zzp’er voort te zetten. Die brief volgde op een gesprek, waarin Logidist had gezegd dat er vanwege het wegvallen van een opdracht te weinig werk was om zijn arbeidsovereenkomst te verlengen. Werknemer betwist dat hij die brief heeft ontvangen, maar bevestigt wel dat er rond die periode met hem is gesproken over een samenwerking als zzp’er. Hij schrijft dat in een brief van 4 juli 2019, waarin staat dat ruim anderhalve maand geleden aan hem gevraagd is of hij “later met een nulurencontract of als zzp’er” voor Logidist wil werken. Dat wijst erop dat hij ervan op de hoogte was dat zijn arbeidsovereenkomst niet (in deze vorm) zou worden voortgezet. Dit betekent dat Logidist aan haar aanzegverplichting heeft voldaan. Het hoger beroep wordt verworpen.