Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 8 september 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:7466
Werkneemster vordert betaling vermeende overuren en vakantie-uren. Geen opdracht tot maken overuren en het niet of nauwelijks werken van werkneemster tijdens (corona)periode leiden tot afwijzing vordering overuren. Vordering vakantie-uren gedeeltelijk toegewezen na aanpassing hoeveelheid opgenomen vakantie-uren.

Feiten 

Werkneemster is van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 in dienst geweest van werkgever. Werkneemster meent dat zij te weinig loon heeft uitbetaald gekregen. Zij vordert onder meer de betaling van € 1.037,50 vanwege 83 vermeende onbetaalde overuren en € 1.162,50 vanwege 93 vermeende ontbetaalde vakantie-uren. 

Oordeel  

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever betwist dat werkneemster overuren heeft gemaakt. Ter zitting heeft werkneemster desgevraagd bevestigd dat zij nooit opdracht heeft gekregen om overuren te maken. Reeds hierom moet de vordering worden afgewezen. Voor zover werkneemster zich – naar eigen zeggen – verplicht voelde om over te werken, overweegt de kantonrechter ten overvloede dat hiertegenover staat dat werkneemster in de bewuste (corona)periode ook wekenlang niet of nauwelijks heeft gewerkt. Voor de periode van 11 mei 2020 tot en met 23 mei 2020 zijn 76 vakantie-uren geregistreerd. Werkneemster heeft door middel van WhatsAppberichten onderbouwd dat zij die dagen wel heeft gewerkt. Werkgeefster heeft geen vakantie-aanvraag of andere stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat er (wel) vakantie is opgenomen in deze periode. Deze uren zijn dan ook onterecht in dit overzicht opgenomen als genoten vakantiedagen. De 7,6 uur op 26 november 2020 heeft werkneemster onvoldoende gemotiveerd betwist en die uren staan daarom terecht in het overzicht. Datzelfde geldt voor de 98,8 uur voor de periode van 7 december 2020 tot en met 24 december 2020. Dat betekent dat werkneemster in 2020 106,4 uur heeft opgenomen. De opname van 7,6 uur op 30 januari 2021 is door werkneemster niet gemotiveerd betwist. Volgens werkneemster mogen er voor de periode dat zij in Curaçao was, geen vakantie-uren worden afgeboekt, maar dat is niet juist. Werkneemster is op vakantie geweest naar Curaçao tijdens haar dienstverband. Dan dienen er vakantiedagen op te worden genomen. Zij kon in deze periode immers niet ook werkzaamheden voor haar werkgever verrichten, terwijl zij daar – op verzoek van de werkgever, ook al was het café in verband met de coronaregels gesloten – wel toe verplicht was. Ook de omstandigheid dat werkgever akkoord is gegaan met de afwezigheid van werkneemster betekent niet dat werkneemster geen vakantiedagen op hoefde te nemen tijdens haar afwezigheid. Werkneemster heeft niet gesteld dat werkgever dáármee akkoord is gegaan. Ten aanzien van de ‘10 dagen in juli’ geldt het volgende. Vast staat dat werkneemster deze dagen niet heeft gewerkt. Het café van werkgever was dicht in verband met het ontbreken van de juiste vergunning. Werkgever stelt dat hij aan werkneemster heeft gevraagd of zij tijdelijk in een ander café in de buurt kon werken, totdat het café van werkgever weer over de benodigde vergunning zou beschikken. Werkneemster betwist dat werkgever dat aan haar heeft gevraagd. Daartegenover heeft werkgever zijn stelling niet onderbouwd, zodat niet van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. De 76 uur die op deze periode betrekking hebben, zijn niet terecht in het overzicht opgenomen. Dat betekent dat werkneemster in 2021 totaal 136,8 uur heeft opgenomen. De totale aanspraak op vakantie-uren in 2020 en 2021 was 284,98 uur. Daarvan heeft werkneemster er 243,2 opgenomen. Dat betekent dat er nog 41,78 uur open staan. Dat staat gelijk aan een bedrag van € 522,25 bruto. Dat bedrag moet werkgever aan werkneemster betalen.