Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 september 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2745
Feiten
Werknemer was van 21 februari 2020 tot 25 februari 2021 in dienst van een Grieks restaurant (hierna: werkgeefster). De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot en met 22 augustus 2020. Na 8 oktober 2020 heeft werkgeefster geen loon meer betaald aan werknemer. Werknemer stelt dat hij zich op 8 oktober 2020 ziek heeft gemeld en daardoor aanspraak maakt op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgeefster heeft een brief aan werknemer gestuurd waarin staat dat zoals afgesproken de arbeidsovereenkomst per 1 december 2020 stopt. In eerste aanleg heeft werknemer onder meer verzocht om werkgeefster te veroordelen tot betaling van het salaris van € 1.300 netto tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd en om de wettelijke transitievergoeding. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemer grotendeels toegewezen in die zin dat werkgeefster is veroordeeld tot betaling van het salaris aan werknemer van het bruto-equivalent van € 1.235 netto per maand vanaf 9 oktober 2020 tot 25 februari 2021 en tot betaling van de wettelijke transitievergoeding. Werkgeefster heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter ongemotiveerd heeft aangenomen dat het loon van werknemer netto € 1.300 per maand bedroeg. Uit de salarisstroken volgt dat het loon gemiddeld ongeveer € 600 bruto per maand bij gemiddeld zestig gewerkte uren per maand bedroeg. Volgens werknemer werkte hij gemiddeld 54 uur per week bij werkgeefster tegen een salaris van € 1.300 netto per maand. Daarvan ontving hij € 650 per bank en de overige € 650 contant.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil het aantal uren dat werknemer vanaf zijn indiensttreding per 21 februari 2020 tot aan zijn ziekmelding op 8 oktober 2020 maandelijks bij werkgeefster werkte en de hoogte van het salaris dat hij gedurende die maanden ontving. Uit de overgelegde salarisspecificaties over de periode februari 2020 tot en met oktober 2020 blijkt dat per juli 2020 het netto-uurloon € 10,21 bedroeg en dat werknemer vanaf zijn indiensttreding per 21 februari 2020 tot aan zijn ziekmelding per 8 oktober 2020 gemiddeld ongeveer 60 uur per maand heeft gewerkt. Volgens werkgeefster heeft werknemer niet meer uren gewerkt dan gemiddeld zestig uren per maand en werkgeefster heeft nooit meer uren contant aan werknemer werknemer voldaan. Volgens werknemer werkte hij gemiddeld 54 uren per week tegen een salaris van gemiddeld € 1.300 netto per maand waarbij hij de helft daarvan contant ontving. Van dat deel zijn geen loonstroken opgemaakt. Ten aanzien van de stelling dat hij maandelijks een bedrag van zo’n € 650 aan contante loonbetalingen ontving, heeft werknemer geen (ontvangst)bewijzen over kunnen leggen. Werknemer zal moeten bewijzen dat hij gemiddeld 54 uren per week werkte, althans meer dan gemiddeld 60 uren per maand en/of dat hij naast de salarisbetalingen die hij per bank van werkgeefster ontving, ook contante betalingen ontving. Werkgeefster krijgt de gelegenheid om bewijs te leveren over de personen die de periode van 21 februari tot 8 oktober 2020 bij werkgeefster hebben gewerkt.