Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 24 augustus 2022
ECLI:NL:RBNHO:2022:8354
Feiten
Werkneemster is op 1 april 2019 in dienst getreden bij Bysteel op basis van een arbeidsduur van 40 uur per week. Tijdens de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft Bysteel bij brief van 25 november 2020 het einde van de arbeidsovereenkomst per 29 december 2020 aangezegd. In de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat werkneemster zal overwerken als de werkgever dit redelijkerwijs nodig acht en dat slechts sprake is van overwerk als de werkgever vooraf de uitdrukkelijke opdracht heeft gegeven om over te werken. In e-mails van 28 september 2019, 20 november 2019 en 21 januari 2020 heeft werkneemster vermeld dat zij tijdens het dienstverband diverse zaterdagen en zondagen heeft gewerkt. Bij brieven van 25 maart 2021 en 12 juli 2021 heeft de gemachtigde van werkneemster Bysteel verzocht om betaling van een bedrag van € 24.799,09 in verband met overwerk. Bysteel heeft gereageerd dat zij van mening was dat zij werkneemster geen vergoeding voor overwerk verschuldigd is. Werkneemster vordert betaling van verschillende periodes voor overwerk.
Oordeel
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Bysteel is in Portugal gevestigd, maar werkneemster heeft gewoonlijk bij de vestiging van Bysteel in Schiphol-Rijk gewerkt. Op grond van artikel 21 lid 1 Brussel I bis is de kantonrechter bevoegd om kennis te nemen van deze zaak. Verder hebben partijen het Nederlandse recht van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst. Omdat met de rechtskeuze voor Nederlands recht geen bescherming verloren gaat (ex art. 8 lid 2 Rome I) nu werkneemster gewoonlijk in Nederland heeft gewerkt, is sprake van een rechtsgeldige rechtskeuze.
Overwerk
Volgens Bysteel was het bij haar Nederlandse vestiging gebruikelijk dat overwerk werd gecompenseerd door middel van vrije tijd (tijd-voor-tijd). De kantonrechter overweegt dat dit niet met werkneemster is overeengekomen en dit ook niet strookt met de verlofuren die Bysteel heeft ingehouden en aan het einde van het dienstverband heeft verrekend. In de arbeidsovereenkomst staat dat werk alleen als overwerk wordt beschouwd als Bysteel expliciete instructies heeft gegeven om (over)werk te verrichten. Voor een overwerkvergoeding is dus slechts plaats als komt vast te staan dat Bysteel het overwerk heeft opgedragen of dat uit de omstandigheden van het geval blijkt dat Bysteel daarmee impliciet of expliciet heeft ingestemd. Werkneemster heeft haar stelling dat zij heeft overgewerkt, onvoldoende onderbouwd door niet te stellen welke werkzaamheden zij wanneer heeft verricht. Bysteel is op grond van de Arbeidstijdenwet verplicht om een deugdelijke registratie te voeren voor arbeids- en rusttijden, maar die verplichting tot vastlegging geldt niet voor het tijdstip waarop een werknemer pauze heeft gehad. Het is dan ook aan werkneemster om aannemelijk te maken dat ze overwerk heeft verricht in deze pauzes en daarin is ze niet geslaagd. Ook de stellingen dat werkneemster op zaterdagen en zondagen aanwezig diende te zijn bij trainingen of dat ze diende over te werken door met de auto naar Portugal te rijden, zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bysteel heeft daarentegen een deel van het overwerken erkend. Bysteel betwist echter dat zij werkneemster expliciet opdracht heeft gegeven om werkzaamheden te verrichten buiten de overeengekomen werktijden. De kantonrechter vindt dat de instemming van Bysteel blijkt uit de door haar overgelegde overzichten. Dat zij het overwerk heeft bijgehouden en werkneemster nooit heeft aangesproken op het feit dat zij overwerk verrichtte, maakt dat sprake is van impliciete instemming. De conclusie is dat Bysteel wordt veroordeeld tot betaling aan werkneemster van de door Bysteel geregistreerde overuren ter hoogte van € 5.393,07.