Rechtspraak
Feiten
Op 28 juli 2016 hebben X en een vleesgroothandel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend. Op 1 januari 2017 hebben X en de vleesgroothandel een overeenkomst getekend tot koop en verkoop van aandelen. Op 4 juli 2017 hebben X en de vleesgroothandel een overeenkomst tot ontbinding van de koopovereenkomst getekend. In een aan X gerichte brief van 11 augustus 2017 staat vermeld dat de arbeidsovereenkomst met X per die datum is beëindigd, omdat X gedurende een aantal maanden zonder reden niet op zijn werk is verschenen. De vleesgroothandel heeft in de periode van 17 augustus 2016 tot en met 7 augustus 2017 in totaal zo’n € 91.000 overgemaakt op de bankrekening van X . Bij de betreffende overschrijvingen staat als omschrijving onder meer ‘(voorschot) salaris’ vermeld. X verzoekt loonbetaling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter acht het ongeloofwaardig dat de getekende arbeidsovereenkomst de strekking had X in dienst van de vleesgroothandel en tegen loon arbeid te laten verrichten. De kantonrechter ontleent dat oordeel aan (de combinatie van) de volgende feiten en omstandigheden. Uitgaande van X’s relaas heeft hij niet alleen jarenlang doorgewerkt zonder salaris van de vleesgroothandel te ontvangen, maar ook zonder de vleeshandel tot betaling aan te schrijven. Dit is zeer opmerkelijk, zeker nu uit de stellingen van X zelf volgt dat zijn financiële omstandigheden penibel waren, en doet vermoeden dat hier geen normale werkgever/werknemersrelatie onder lag. Dit brengt de kantonrechter tot het oordeel dat partijen niet daadwerkelijk zijn overeengekomen dat X in dienst van de vleesgroothandel en tegen loon arbeid zou verrichten, en dus dat er tussen hen geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.