Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 7 december 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:7444
Feiten
Werknemer is op 31 mei 2013 in dienst getreden bij de gemeente Breda (hierna: de gemeente). Op 30 januari 2019 is werknemer, na een eerdere ziekmelding per 17 oktober 2017, op het spreekuur verschenen van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat werknemer per 31 januari 2019 zijn werkzaamheden voor twee tot drie uur per dag kan hervatten en per 11 februari 2019 voor vier uur per dag. Werknemer heeft zich op 27 februari 2019 volledig ziek gemeld. Werknemer is op 21 maart 2019 verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Volgens de bedrijfsarts was werknemer tijdens dat bezoek verbaal en fysiek agressief. De bedrijfsarts heeft de verzuimbegeleiding vervolgens opgeschort. De gemeente heeft het loon voor vier uur per dag opgeschort. De gemeente heeft de salarisbetaling per 27 mei 2019 hervat. Op 3 juli 2019, 5 augustus 2019 en medio september 2019 heeft werknemer zich opnieuw ziek gemeld. In de salarisspecificatie van december 2019 is een minbedrag van € 1.720,68 bruto vermeld ter zake van ‘156 verlofuren eigen rekening’ alsmede een minbedrag van € 1.180,54 bruto wegens een verrekening met terugwerkende kracht. Van januari 2020 tot en met 14 september 2020 heeft de gemeente geen salaris betaald aan werknemer. Over die periode heeft werknemer een WIA-uitkering ontvangen. Werknemer heeft met ingang van 14 september 2020 vier uur per dag passende arbeid verricht. Kort hierna is werknemer door de gemeente naar huis gestuurd met doorbetaling van loon. Werknemer is op 31 juli 2021 volledig ziek gemeld. Werknemer vorder uitbetaling van het achterstallige salaris, vakantiegeld en eindejaarsuitkering.
Oordeel
De gemeente heeft erkend dat zij over de periode van januari 2020 tot en met 14 september 2020 het salaris niet heeft betaald (€ 14.756 totaal). Dit bedrag moet worden verminderd met de ontvangen WIA-uitkering die werknemer over die periode heeft ontvangen (€ 2.269,52). Werknemer vordert ook uitbetaling van het salaris over april en mei 2019. Volgens de gemeente is het loon van werknemer opgeschort over de periode 21 maart 2019 tot en met 26 mei 2019. Bij de beoordeling van dit deel van de vordering moeten naar het oordeel van de kantonrechter twee perioden worden onderscheiden, te weten de periode 21 maart 2019 tot en met 25 april 2019 en de periode 26 april 2019 tot en met 26 mei 2019. Over de periode 21 maart 2019 tot en met 25 april 2019 stelt werknemer dat hij volledig ziek was en hij baseert zijn vordering op artikel 7:629 BW. Artikel 7:629a lid 1 BW schrijft voor dat bij een vordering tot betaling van het loon tijdens ziekte een deskundigenoordeel als bedoeld in dat artikel moet worden gevoegd. Vast staat dat werknemer dit niet heeft gedaan. Werknemer is daarom niet-ontvankelijk. Voor wat betreft de periode 26 april 2019 tot en met 26 mei 2019 overweegt de kantonrechter dat werknemer zich op 25 april 2019 bereid heeft verklaard om werkzaamheden te verrichten voor 2 uur per dag. De gemeente heeft werknemer niet opgeroepen voor werkzaamheden. Het niet verrichten van arbeid in deze periode komt dan ook voor rekening en risico van de gemeente. Over de periode 26 april 2019 tot en met 26 mei 2019 was de loonopschorting ten onrechte. Dit betreft precies één maand. Dit maakt dat werknemer nog recht heeft op betaling van vijftig procent van één maandsalaris. Partijen zijn het erover eens dat werknemer recht heeft op het salaris over november 2019, december 2019 en op de eindejaarsuitkering.