Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 december 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13686
Vernietiging ontslag op staande voet. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 898 bruto en een transitievergoeding.

Feiten

Werknemer heeft als kapper gewerkt voor werkgever. Partijen hebben op 1 april 2021 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, beginnend op 1 april 2021 en lopend tot 1 november 2021, voor de duur van minimaal 2 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Werknemer verzoekt werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 898 bruto en een transitievergoeding van € 59 bruto, alsmede een verklaring voor recht dat het tussen partijen overeengekomen non-concurrentie- en relatiebeding nietig is. Aan het verzoek legt werknemer ten grondslag dat werkgever hem ten onrechte op staande voet ontslagen heeft op 25 augustus 2021.

Oordeel

Uit hetgeen partijen weer hebben verklaard, wordt opgemaakt dat op 24 augustus 2021 tussen hen een conflict is geweest omdat een klant die zich in de kapsalon bevond, naar werkgever belde omdat hij geknipt wilde worden maar niemand aantrof in de salon, terwijl werknemer daar had moeten zijn. Werkgever heeft werknemer gebeld en die bleek bij winkelcentrum Zuidplein te zijn. Volgens werknemer gebeurde dit tijdens de lunchpauze en was hij vergeten de kapsalon af te sluiten. Toen zij beiden in de kapsalon arriveerden verzocht werkgever werknemer schoon te maken, wat werknemer geweigerd heeft, hetgeen bijgedragen heeft aan het conflict. Werknemer  is vervolgens weggegaan. Op zichzelf biedt dit steun voor het verweer van werkgever dat hij werknemer niet heeft weggestuurd. Het conflict gaf ook geen aanleiding om hem te ontslaan, want het hebben verlaten van de kapperszaak zonder deze af te sluiten is weliswaar onzorgvuldig geweest, maar heeft geen dringende reden opgeleverd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Werknemer stelt ook niet te zijn weggestuurd door werkgever, maar door diens echtgenote toen hij de volgende dag om 10:00 uur bij de kapsalon aankwam. De gemachtigde van werknemer heeft te kennen gegeven telefonisch te hebben gesproken met de echtgenote van werknemer bij welke gelegenheid zij hem zou hebben meegedeeld dat werknemer ontslagen was omdat hij een eigen kapperszaak zou willen beginnen en klanten afpakte. Gelet op het vorenstaande staat voldoende vast dat werknemer op 25 augustus 2021 te verstaan is gegeven dat hij niet meer mocht werken in de kapsalon. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit worden aangemerkt als een ontslag op staande voet. De reden voor het ontslag wordt niet aangemerkt als een dringende reden om de arbeidsovereenkomst op te zeggen waardoor sprake is van een vernietigbare opzegging. Werknemer heeft aldus, omdat hij berust in de opzegging, aanspraak op een billijke vergoeding. Daarnaast heeft werknemer recht op de transitievergoeding, zij het niet het verzochte bedrag van € 59 bruto maar € 40,07 bruto, uitgaande van de duur van het dienstverband van 1 april 2021 tot 25 augustus 2021 en een gemiddeld maandsalaris van € 277 bruto en 8% vakantiebijslag.   Op de voet van artikel 7:653 lid 3 BW worden het non-concurrentie- en het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geheel vernietigd, omdat de bedingen niet noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen.