Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 9 november 2022
ECLI:NL:RBLIM:2022:10393
Feiten
Werknemer is op 1 september 2018 in dienst getreden bij werkgever in de functie van pedagogisch medewerker. Werkgever heeft, nadat het UWV hem daarvoor toestemming heeft gegeven, de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd per 1 mei 2022. Tot op heden heeft geen eindafrekening van het dienstverband met werknemer plaatsgevonden. Bovendien is het loon over de maanden februari tot en met april 2022 onbetaald gebleven en evenmin heeft werkgever de transitievergoeding aan werknemer betaald. Werknemer verzoekt werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en de eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de wettelijke verhoging over het achterstallige loon van de maanden februari tot en met april 2022. Werkgever heeft als verweer aangevoerd dat hij een schuldsanering heeft aangevraagd en dat het UWV de loonbetalingsverplichting van hem heeft overgenomen.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van werknemer op alle onderdelen toewijsbaar is. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen met dien verstande dat in de beslissing zal worden opgenomen dat op de toegewezen bedragen (met uitzondering van de transitievergoeding) de betaling van het UWV van € 5.470,66 en eventuele vervolgbetalingen van UWV die voortvloeien uit de betalingsonmacht van werkgever in mindering strekken.