Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 8 maart 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:2686
Feiten
Vanaf december 2019 heeft zich wereldwijd een nieuw coronavirus verspreid. Het virus kan de ziekte COVID-19 veroorzaken. Wanneer de klachten langer dan drie maanden aanhouden, is sprake van de ziekte ‘post-COVID’. Hoewel op dat moment nog onzeker was welke gezondheidsrisico’s het coronavirus met zich bracht, heeft een grote groep zorgmedewerkers ook in 2020 onverminderd zorg verleend aan patiënten met COVID-19. De zorgmedewerkers die in 2020 bij de uitvoering van hun werkzaamheden in direct contact met patiënten met COVID-19 zijn gekomen en/of daar nauw bij betrokken zijn geweest, die daarbij in 2020 zelf besmet zijn geraakt met het coronavirus, die nu post-COVID hebben en die als gevolg daarvan al meer dan twee jaar minder of helemaal niet meer kunnen werken, worden hierna ‘de gedupeerden’ genoemd. Sinds 2020 hebben vakbonden FNV en CNV bij de Staat aangedrongen op concrete hulp aan de gedupeerden, om de financiële nood weg te nemen die bij hen is ontstaan omdat zij als gevolg van post-COVID niet meer (volledig) kunnen werken. De minister voor Langdurige Zorg en Sport (hierna: de minister) heeft eind 2022 aangekondigd in gesprek te zullen gaan met werkgevers- en werknemersorganisaties over een collectieve regeling voor een specifieke groep zorgmedewerkers. Op 1 februari 2023 heeft de minister in een brief aan de Tweede Kamer medegedeeld dat partijen zijn uitgenodigd voor een overleg, dat alleen de werkgeversorganisaties op deze uitnodiging zijn ingegaan en dat zij hebben laten weten dat zij niet willen en kunnen meewerken aan een collectieve regeling. De minister heeft vervolgens de verwachting uitgesproken dat in april 2023 een publieke regeling gereed is. De vakbonden hebben een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW ingesteld, primair strekkende tot betaling van een voorschot op schadevergoeding aan ieder van de gedupeerden en subsidiair strekkende tot een gebod aan de Staat om met de vakbonden in overleg te treden over een compensatieregeling voor de gedupeerden.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Daarbij is het mogelijk een collectieve schadevergoedingsactie in te stellen, waarbij een bedrag in geld kan worden gevorderd. Op grond van voornoemd artikel is voor een collectieve actie vereist dat de behartigde belangen voldoende gelijksoortig zijn. De primaire vordering van de vakbonden strekt tot betaling van een uniform voorschot op schadevergoeding voor (ieder van) de gedupeerden. De Staat heeft (samengevat) betoogd dat de post-COVID-klachten en de daaruit voortvloeiende schade niet voor iedere gedupeerde hetzelfde zijn en dat de schade van de gedupeerden en de mate van aansprakelijkheid van de Staat op grond van onrechtmatige daad daarom alleen op individueel niveau, dus van geval tot geval, kunnen worden vastgesteld. De Staat verbindt hieraan naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht de conclusie dat de vakbonden niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de ingestelde rechtsvorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen. Allereerst is komen vast te staan dat de groep gedupeerden zeer divers is. Of en in welke mate zij tijdens de uitoefening van de werkzaamheden zijn blootgesteld aan het risico op besmetting met het coronavirus valt gelet op de diversiteit binnen de groep gedupeerden niet in algemene zin vast te stellen. Daarnaast heeft de Staat voldoende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de gedupeerden geen sprake is geweest van een uniform beleid in het kader van de bestrijding van het coronavirus. Ook deze omstandigheden lenen zich dus niet voor een ‘collectieve behandeling’. Een en ander brengt mee dat de vraag of en in hoeverre gedupeerden schade hebben geleden en de vraag of die schade is toe te rekenen aan onrechtmatig handelen van de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen kunnen worden beantwoord door daarbij (onder meer) de aard van de door de gedupeerde verrichte werkzaamheden en de omstandigheden waaronder die werkzaamheden zijn verricht te betrekken. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen die de vakbonden met de ingestelde primaire vordering beogen te dienen zich niet lenen voor beoordeling in het kader van een collectieve actie, omdat niet in algemene zin, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, kan worden beoordeeld of en in welke mate de schade van individuele gedupeerden is veroorzaakt door het handelen of het nalaten van de Staat. De omstandigheden van de individuele zorgmedewerkers zijn zo verschillend dat daardoor een eensluidend oordeel met betrekking tot de collectieve aansprakelijkheid van de Staat en de (hoogte van de) door de individuele gedupeerden geleden schade niet kan worden gegeven. Aldus is sprake van ongelijksoortige belangen en dat staat in de weg aan een collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW. De subsidiaire vordering strandt evenzeer. Er bestaat geen juridische grondslag voor een verplichting tot overleg met de vakbonden. Afwijzing van de vorderingen volgt.