Naar boven ↑

Rechtspraak

DHG Bontrup Aviation B.V./werknemer
Rechtbank Noord-Holland, 14 maart 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:2249
Terugvordering studiekosten. Studiekostenbeding voldoet niet aan de eisen die daarvoor in de rechtspraak zijn ontwikkeld. Ook staat voor een groot deel van de gevorderde studiekosten onvoldoende vast dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2021 bij DHG Bontrup Aviation B.V. (hierna: DBA) in dienst getreden. In januari 2021 heeft DBA een vliegtuig gekocht. De arbeidsovereenkomst kent een studiekostenbeding. In april/mei 2021 heeft werknemer een opleiding gedaan die verplicht is om het gekochte vliegtuig te mogen vliegen. Daarnaast heeft werknemer gedurende het dienstverband nog enkele (online) trainingen en learnings gevolgd. Bij e-mail van 17 februari 2022 heeft DBA de ontvangst van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van werknemer bevestigd. In de e-mail wordt ook gesproken over een verrekening van studiekosten ter hoogte van € 37.194,33. De op 8 maart 2022 door DBA ontvangen factuur van het opleidingsinstituut voor de door werknemer gevolgde opleiding is door het opleidingsinstituut ingetrokken, omdat de verkoper van het vliegtuig deze opleiding op zich nam. DBA vordert dat de kantonrechter werknemer veroordeelt tot betaling van € 37.010,52.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het meest verstrekkende verweer van werknemer is dat het studiekostenbeding in verband met de op 1 augustus 2022 in werking getreden Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden nietig is. De arbeidsovereenkomst is echter voor 1 augustus 2022 geëindigd, zodat het nieuwe artikel 7:611a BW niet van toepassing is op deze zaak. De kantonrechter vindt dat werknemer geen studiekosten hoeft te betalen en dat DBA ten onrechte studiekosten op de eindafrekening heeft ingehouden. Ten eerste omdat het studiekostenbeding niet duidelijk is. Ten tweede omdat een groot deel van de gevorderde kosten niet in het studiekostenbeding genoemd wordt. Ten derde omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de ernstige consequenties van het beding duidelijk aan werknemer uiteen zijn gezet. Ten slotte is niet vast komen te staan dat DBA daadwerkelijk alle gevorderde kosten heeft gemaakt. De vordering van DBA wordt daarom afgewezen.