Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/GVB Exploitatie B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 maart 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:1446
Artikel 27 WOR. Besluit berekeningsmethode roostertoeslag heeft terugwerkende kracht. (Oud-)werknemers hebben recht op herberekening roostertoeslag.

Feiten

GVB Exploitatie B.V. (hierna: GVB) verzorgt openbaar vervoer in de stad en regio Amsterdam, onder andere met bus en tram. Werknemers zijn om en nabij 1980 in dienst getreden bij het GVB en waren werkzaam als personenvervoerder op de bus of de tram. Volgens artikel 9.15 van de Cao GVB 2019 heeft een medewerker die in een rooster werkt, recht op een roostertoeslag. Voor rijdend personeel, onder wie werknemers, geldt daarbij dat nadere afspraken worden gemaakt over de berekening van die roostertoeslag. Vanaf enig moment gold een berekeningsmethode voor deze roostertoeslag. Met ingang van 1 oktober 2018 is de manier van inroosteren deels veranderd. In de nieuwe roosters zijn namelijk niet langer ingeroosterde vakantiedagen opgenomen. Het rooster was daarmee in de vakantieperiode zwaarder werd dan voorheen. GVB heeft daarom naar de rekenmethode gekeken en hieruit zijn vier berekenmethoden gekomen. Tijdens deze overlegperiode zijn eisers uit dienst gegaan vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. GVB heeft de ondernemingsraad gevraagd in te stemmen met een andere berekeningsmethodiek. De berekeningsmethode is in het GVB-besluit gewijzigd met terugwerkende kracht vanaf het moment dat de ingeroosterde vakantie uit de roosters is gehaald (1 oktober 2018). Werknemers vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de terugwerkende kracht uit het GVB-besluit ook op hen van toepassing is van 1 oktober 2018 tot het moment van uitdiensttreding en een herbereking van de roostertoeslag.

Oordeel

Het GVB-besluit bestaat uit meerdere onderdelen. Onderdeel II is relevant voor werknemers en houdt in dat de roostertoeslag vanaf 1 oktober 2018  voor het werkzame rijdend personeel opnieuw wordt berekend met de regel-2-methode. Als die hoger is dan de oude methode, wordt het verschil nabetaald. De vraag die beantwoord moet worden, is of eisers vallen onder onderdeel II van het GVB-besluit. De kantonrechter is van oordeel van wel. Onderdeel II van het GVB-besluit gaat namelijk niet in op 5 maart 2021, de datum van het GVB-besluit, maar werkt terug tot een eerdere datum, namelijk 1 oktober 2018. Vanaf dat moment – 1 oktober 2018 – wordt immers de berekening voor de roostertoeslag voor het werkzame rijdend personeel veranderd in de regel-2-methode. De consequentie daarvan is dat onder werkzaam rijdend personeel dus wordt verstaan: het op 1 oktober 2018 werkzaam rijdend personeel. Werknemers behoren daartoe, want ze waren op dat moment in dienst bij het GVB en kregen roostertoeslag. Kortom: door die terugwerkende kracht van het GVB-besluit behoren werknemers tot de groep van werkzaam personen als bedoeld in artikel 27 WOR en ziet het GVB-besluit ook op hen. Het GVB heeft zelf tot die regeling met – voor de werknemers gunstige –terugwerkende kracht besloten en heeft de goedkeuring daarvoor van de ondernemingsraad. Het GVB heeft aangevoerd dat het niet haar bedoeling was dat onderdeel II ook op oud-werknemers ziet. Dat blijkt niet uit haar eigen besluit en evenmin uit de correspondentie met de ondernemingsraad die zich in het dossier bevindt. De vordering van werknemers wordt toegewezen. Het GVB moet voor werknemers over de periode vanaf 1 oktober 2018 een herberekening van de roostertoeslag maken en – voor zover die hoger uitvalt – het verschil nabetalen.