Naar boven ↑

Rechtspraak

Verzoekster/Royaal Thuis B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 1 december 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:15705
De tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert niet als een arbeidsovereenkomst maar als een leer-werkovereenkomst. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt duidelijk dat de opleiding van verzoekster bij de uitvoering van de overeenkomst centraal stond en niet de werkzaamheden zelf.

Feiten

Op 14 februari 2022 hebben verzoekster en Royaal Thuis B.V. (hierna: Royaal) een (leer-werk)overeenkomst gesloten. Gelijktijdig is een BBL-praktijkovereenkomst gesloten tussen verzoekster, de opleidingsinstelling waarvan zij student is en Royaal. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen haar en Royaal, dat onregelmatig is opgezegd en dat Royaal daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Verzoekster verzoekt veroordeling van Royaal om aan haar een brutobedrag van € 25.543,48 te betalen alsmede een brutobedrag van € 176,73 ten titel van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Royaal in de proceskosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst is gesloten waardoor de arbeidsrechtelijke bepalingen uit Boek 7 BW toepassing missen. Daarmee ontvalt de juridische grondslag aan de verzoeken van verzoekster zodat die om die reden dan ook worden afgewezen. Vaststaat dat verzoekster ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in opleiding was tot verpleegkundige en dat de overeenkomst is gesloten teneinde dat vak te leren. Hoewel de tekst van de overeenkomst niet allesbepalend is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, speelt zij wel een rol bij de uitleg van de bedoeling van partijen. Volgens de kantonrechter valt uit de tekst van de overeenkomst af te leiden dat het behalen van de opleiding door verzoekster de kern van de overeenkomst is. Een van de verplichtingen van Royaal is bijvoorbeeld het laten uitvoeren van werkzaamheden door verzoekster die haar in staat stellen haar opleiding af te ronden. Dat de opleiding centraal staat, valt verder af te leiden uit de door partijen overeengekomen ontbindende voorwaarde in de overeenkomst en de gelijktijdig met de overeenkomst gesloten BBL-praktijkovereenkomst uit welke overeenkomst blijkt dat verzoekster haar in het kader van haar opleiding vereiste ‘beroepspraktijkvorming’ zal ‘uitvoeren’ bij het ‘leerbedrijf’, te weten Royaal. Tegen de stelling van verzoekster dat zij geheel zelfstandig werkzaamheden heeft verricht zoals het zetten van insulinespuiten, heeft Royaal zich verweerd door aan te voeren dat dit inderdaad het geval is, maar dat verzoekster dit deed in het kader van haar opleiding, dat zij gecontroleerd werd en dat het zetten van insulinespuiten nu juist behoorde tot de beroepsvaardigheden die zij moest leren. Uit de tekst van de gesloten overeenkomst in samenhang met de praktijkovereenkomst blijkt aldus duidelijk dat de opleiding van verzoekster bij de uitvoering van de werkzaamheden centraal stond, en niet de werkzaamheden zelf.