Naar boven ↑

Rechtspraak

PGB huishoudelijk werker/UWV
Centrale Raad van Beroep, 30 maart 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:481
Pgb-werkers huishoudelijke hulp verzekerd voor WW.

Feiten

De persoonlijke dienstverlener, zoals een huishoudelijke hulp of zorghulp, die doorgaans op minder dan vier dagen per week diensten verleent aan een particulier bij wie zij in dienstbetrekking is, is uitgesloten van de verzekering op grond van onder andere de WW. De wetgever heeft voor deze groep een uitzondering op de verzekeringsplicht gemaakt om het voor particulieren aantrekkelijker te maken deze vorm van hulp in te huren en om te voorkomen dat deze vorm van hulp zwart wordt betaald.

Oordeel

De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat deze uitzonderingsbepaling ten opzichte van betrokkene, die uit een persoonsgebonden budget (pgb) wordt betaald, een verboden indirecte discriminatie van vrouwen oplevert. De commissie-Kalsbeek heeft in 2014 geconcludeerd dat de Regeling dienstverlening aan huis voor personen die worden betaald uit een pgb niet het effect heeft gehad dat de werkgelegenheid op de markt voor persoonlijke dienstverlening is bevorderd en dat het risico op een zwart circuit in het publiek gefinancierde deel van de markt nagenoeg nihil is. Het UWV heeft gewezen op de kans dat de (legale) arbeidsmarkt voor persoonlijke dienstverlening zal worden aangetast wanneer werknemers die op basis van een zorgovereenkomst op doorgaans minder dan vier dagen per week werken in dienst van een pgb-budgethouder, verzekerd worden voor de werknemersverzekeringen en in het bijzonder voor de WW. Aan het UWV kan worden toegegeven dat verplichte premieafdracht de kosten van maatschappelijke ondersteuning op grond van (onder andere) de Wmo (nu: de Wmo 2015) en van zorg op grond van de Wlz zal kunnen opdrijven. Dit is, zoals het Hof van Justitie opmerkt in punt 61 van het arrest TGSS, inherent aan de bescherming van werknemers in het kader van de sociale zekerheid. Het UWV heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat, bij opname van de betreffende dienstverleners in de kring van verzekerden voor de werknemersverzekeringswetten, van een (wezenlijke) aantasting van de arbeidsmarkt voor persoonlijke dienstverlening sprake zal zijn. Dat de zorgverlener een lager netto-uurloon zal ontvangen, dan wel de budgethouder minder ondersteuning of zorg zal kunnen inkopen, staat geenszins vast. Bij die veronderstelling wordt er namelijk van uitgegaan dat het pgb gelijk blijft of onvoldoende wordt verhoogd om de hogere kosten voor de werkgever op te vangen en de werknemer hetzelfde nettoloon uit te betalen. Verder strekt de uitzonderingsbepaling er niet coherent toe, personen van de verzekering uit te sluiten die op grond van artikel 41 WW geen aanspraak zouden kunnen maken op een WW-uitkering. Voor dienstverleners die uit een pgb worden betaald komt de Raad tot een ander oordeel dan in zijn uitspraak van 29 april 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6049.