Naar boven ↑

Rechtspraak

International Transport Workers' Federation c.s./Marlow Navigation Company Limited
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 25 april 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:607
Hoger beroep in een bevoegdheidsincident. De Nederlandse rechter is niet bevoegd kennis te nemen van vorderingen van vakbondsorganisaties tot naleving van de Non-Seafarers Work Clause door internationaal scheepsconcern in Cyprus op grond van artikel 7 en/of 8 Brussel I bis-Vo.

Feiten

International Transport Workers' Federation (hierna: ITF) is een internationale vakbondsfederatie, die in internationale context onder meer de belangen van bij haar aangesloten (lokale) vakbonden voor zeevarenden en havenwerkers (de ‘ITF-affiliates’) behartigt, zoals Nautilus en Ver.Di. Marlow Cyprus en Marlow Nederland managen ieder eigen schepen. De schepen van Marlow Cyprus en Marlow Nederland doen regelmatig de Rotterdamse haven aan. De zeevarenden werkzaam aan boord van de Marlowschepen zijn merendeels in dienst van Marlow Nederland of Marlow Cyprus. De International Maritime Employers’ Council (hierna: IMEC) is een internationale werkgeversorganisatie die opkomt voor de belangen van individuele reders (eigenaren), scheepsmanagers en werkgevers die voornamelijk bulk-, container- en tankschepen exploiteren respectievelijk doen bemannen. Het gros van de reders, eigenaren en scheepsmanagers die opereren in Europese en Canadese wateren zijn aangesloten bij IMEC. Ook Marlow Cyprus is lid van IMEC. Sinds 1 januari 2020 is het op containerschepen die worden gereed dan wel bemand door partijen die zijn aangesloten bij IMEC in beginsel niet langer toegestaan sjorwerkzaamheden te doen verrichten door de bemanning. Dit is een gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2020 van de nieuwe ‘Non-Seafarers Work Clause’ (hierna: NSWC) die krachtens door IMEC gemaakte afspraken deel uitmaakt van de op de arbeidsovereenkomsten van de bemanning toepasselijke arbeidsvoorwaarden. De rechtbank heeft in een incidenteel vonnis geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is te oordelen over de vordering van ITF c.s. tot nakoming van de NSWC, voor zover die is ingesteld tegen Marlow Cyprus. ITF c.s. voeren in hoger beroep aan dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is.

Oordeel

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Artikel 5 lid 1 Brussel I bis-Vo bepaalt dat degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, slechts voor het gerecht van een andere lidstaat kunnen worden opgeroepen krachtens de bevoegdheidsbepalingen die zijn opgenomen in de afdelingen 2-7 van hoofdstuk II van Brussel I bis-Vo. Over thans artikel 7 aanhef en lid 1 onder a Brussel I bis-Vo is in HvJ EG 19 februari 2002, ECLI:EU:C:2002:99 (Besix/WABAG) geoordeeld dat – verkort weergegeven – deze bijzondere bevoegdheidsregel niet van toepassing is in het geval waarin de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt niet kan worden bepaald, omdat de litigieuze verbintenis uit overeenkomst bestaat in een verbintenis om niet te doen, zonder enige geografische beperking, en derhalve wordt gekarakteriseerd door een veelvoud van plaatsen waar zij is of moet worden uitgevoerd. Aan de vordering van ITF c.s. ligt een verbintenis om niet te doen ten grondslag. De omstandigheid dat ITF c.s. hun vordering taalkundig in een andere vorm hebben gegoten door hun vordering als een gebod te formuleren, doet hieraan niet af. Het belang van de rechtszekerheid vergt immers dat de vraag of rechter van een bepaalde lidstaat rechtsmacht toekomt, niet op de door ITF c.s. voorgestelde wijze afhankelijk is van de wijze waarop de vordering is geformuleerd. Verder is van belang dat de verplichting zoals die op Marlow Cyprus rust (de NSWC) een verplichting betreft die geen geografische beperking kent en die zij in beginsel wereldwijd heeft na te leven. De omstandigheid dat Rotterdam een van de grootste havens ter wereld is en dat het voor ITF c.s. van belang is dat de NSWC ook vooral in Rotterdam wordt nageleefd, doet er niet aan af dat de NSWC een wereldwijd geldende verbodsbepaling betreft en dat Rotterdam niet kan worden beschouwd als de plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd in de zin van artikel 7 aanhef en lid 1 onder a Brussel I bis-Vo.
ITF c.s. beroepen zich verder tevergeefs op hetgeen is overwogen in het arrest HvJ EG 3 mei 2007, C-386/05, NJ 2008/237 (Color Drack/Lexx International). De vraag die in deze zaak aan de orde was, betrof geen verbodsactie van een verplichting zonder geografische beperking. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat artikel 7 aanhef en lid 1 onder a Brussel I bis-Vo geen grondslag geeft voor bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij ook aan artikel 8 aanhef en lid 1 Brussel I bis-Vo geen bevoegdheid kan ontlenen om (ook) kennis te nemen van de vorderingen van ITF c.s., voor zover ingesteld jegens Marlow Cyprus. Bij de beoordeling heeft het hof ervan uit te gaan dat van ‘onverenigbare beslissingen’ in de zin van artikel 8 aanhef en lid 1 Brussel I bis-Vo pas sprake is, indien bij afzonderlijke berechting van de zaken het gevaar bestaat dat tegenstrijdige/onverenigbare beslissingen worden gegeven in het kader van een feitelijk en rechtens zelfde situatie. De omstandigheid dat sprake is van eenzelfde juridisch verwijt in sterk gelijkende feitencomplexen, is naar het oordeel van het hof nog onvoldoende om te kunnen spreken van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’.