Naar boven ↑

Rechtspraak

appellant/geïntimeerden
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 mei 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:3977
Werknemer is niet in de bewijsopdracht geslaagd. Het hof komt niet terug op eerdere bindende eindbeslissingen over het opzegverbod en de billijke vergoeding.

Feiten

In de tussenbeschikking is appellant toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij nog een loonaanspraak heeft omdat hij in de periode van mei 2020 tot 7 augustus 2020 meer heeft gewerkt dan hem op basis van de salarisspecificatie van 23 februari 2021 is uitgekeerd. In dit kader heeft appellant getuigen doen horen en schriftelijke stukken in het geding gebracht.

Oordeel

Uit de getuigenverhoren en het door appellant overgelegde WhatsApp-berichtenverkeer komt naar voren dat hij in de zomer van 2020 meer uren werkte dan 24 uur per week. Geïntimeerde heeft echter aangevoerd dat appellant na augustus 2020 vaak afwezig was en minder werkte, wat minuren opleverde. Op deze stelling is appellant niet ingegaan, terwijl uit de getuigenverhoren en overgelegde schriftelijke stukken geen weerspreking van die minuren volgt. Appellant heeft ook niet betwist dat hij zijn gewerkte uren zelf registreerde in de bedrijfscomputer in het café. Verder volgt uit de getuigenverhoren dat 102 van de door appellant gewerkte overuren ter verwerking zijn doorgegeven. Dit heeft geleid tot de loonstrook van 14 januari 2021. Hierna is deze loonstrook gecorrigeerd, omdat overuren door appellant zelf werden geregistreerd en appellant met het opschroeven van zijn uren een extra bedrag aan NOW-subsidie wilde ontvangen. In de veronderstelling dat appellant de onderneming alleen zou voortzetten, hadden geïntimeerden hier geen moeite mee. Later werd duidelijk dat appellant de onderneming niet zou voorzetten en toen zijn de loonstroken gecorrigeerd. Appellant heeft niet (voldoende) weersproken dat hij zijn uren heeft opgeschroefd met het oog op de NOW-subsidie. Daarmee is de conclusie dat appellant er niet in is geslaagd het bewijs te leveren. Dit betekent dat appellant, naast de door de kantonrechter toegewezen na- en doorbetaling van loon tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2021, geen aanspraak heeft op betaling van achterstallig loon aan overuren, vakantie-uren en vakantiedagen. Appellant verzoekt het hof verder om terug te komen op de in de tussenbeschikking gegeven beslissingen over het opzegverbod en de billijke vergoeding. In de tussenbeschikking heeft het hof het beroep van appellant op het opzegverbod wegens ziekte verworpen. Daarmee is sprake van een bindende eindbeslissing. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie niet terugkomen, tenzij die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Dit laatste is niet het geval. Ook voor een andere beslissing over de billijke vergoeding bestaat geen grond. Dat geïntimeerden een valse urenregistratie hebben opgemaakt, is na bewijslevering door appellant niet komen vast te staan. Evenmin kan worden aangenomen dat geïntimeerden bewust informatie hebben achtergehouden en/of appellant opzettelijk onjuist hebben geïnformeerd. De conclusie is dat het hof niet terugkomt op zijn oordelen over het opzegverbod en de billijke vergoeding. Het hoger beroep slaagt aldus niet.