Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 16 mei 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:2181
Feiten
Werknemer is sinds 20 oktober 1997 in dienst bij de Staat, te weten bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft bij brief van 20 februari 2018 aan werknemer medegedeeld dat naar hem een onderzoek is gestart, omdat hij en/of zijn (fiscale) partner ten minste één rekening heeft (gehad) bij de Luxemburgse bank BCEE en het vermoeden bestond dat in de ingediende aangiften inkomstenbelasting daarvan geen opgaaf is gedaan. Werknemer heeft op 18 oktober 2018 aan de inspecteur de hoogte en de herkomst van de gestorte bedragen medegedeeld. Op 20 mei 2021 is tussen de Belastingdienst en werknemer en zijn echtgenote een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat werknemer nog belasting en belastingrente moet betalen over de bedragen op de bankrekening bij BCEE. Bij brief van 9 juni 2022 heeft de inspecteur een adviesvraag bij de Commissie ontheffing geheimhoudingsplicht fiscale integriteit ingediend. Bij brief van 31 augustus 2022 is een ontheffing verleend van de fiscale geheimhoudingsplicht om werkgever te informeren over een vermoeden van een ernstige integriteitsschending. Werknemer is bij brief van 21 november 2022 door de Staat uitgenodigd voor een gesprek met de regiodirecteur MKB Eindhoven. Dit gesprek heeft op 30 november 2022 plaatsgevonden. Werknemer heeft in dit gesprek aangegeven dat hij zijn belastingaangiftes altijd naar eer en geweten heeft ingevuld. Werknemer heeft zich diezelfde dag ziekgemeld met terugwerkende kracht tot 28 januari 2022. De Staat verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW.
Oordeel
Vooropgesteld wordt dat van (toezicht)medewerkers werkzaam bij de Belastingdienst een extra mate van geloofwaardigheid, verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid mag worden verwacht zoals vastgelegd in interne gedragscodes. Daaronder valt tevens een verhoogde graad van integriteit ten aanzien van de persoonlijke fiscale verplichtingen. Op grond van de stukken, in het bijzonder de vaststellingsovereenkomst, staat vast dat werknemer gedurende de jaren 2006 tot en met 2016 onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan door geen melding te maken van buitenlandse bankrekeningen die op zijn naam waren gesteld. Daardoor is werknemer in Nederland voor een te laag bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen. Werknemer heeft in dat verband een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten. Werknemer heeft betoogd dat hij de aangiften niet opzettelijk onjuist heeft ingevuld, omdat hij destijds niet economisch gerechtigd zou zijn geweest tot de buitenlandse rekeningen die op zijn naam stonden. Hij stelt dat het vermogen op de bankrekening(en) een bruidsschat betrof waarover zijn Japanse schoonouders het beheer hadden. De Staat heeft in dat verband terecht verwezen naar de verklaring van werknemer van 18 oktober 2018 waarin hij aan de inspecteur kenbaar heeft gemaakt de bankrekening in 1995 in Luxemburg te hebben geopend om daar onder andere zijn spaargeld, opgebouwd uit in Nederland genoten loon, op te zetten. De opmerking van werknemer dat de vele aangiftes in een eerder stadium door de Belastingdienst zijn goedgekeurd, kan hem evenmin baten. De Belastingdienst kon destijds vanwege het bankgeheim in Luxemburg niet weten dat werknemer daar bankrekeningen aanhield. Op werknemer rustte de plicht om van die rekeningen in zijn aangiften melding te maken. Hij heeft ervoor gekozen dat niet te doen en dat kan hem in ernstige mate worden verweten. De slotsom is dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens de Staat. Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden is aan de maatstaf voor ontbinding op grond van artikel 7:686 BW voldaan. Werknemer heeft immers structureel in strijd gehandeld met de kernwaarden van de Belastingdienst. Daardoor is hij niet meer geloofwaardig en betrouwbaar en schaadt hij het ambt en de Belastingdienst. Dat levert een ernstige tekortkoming in de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst op.