Rechtspraak
Feiten
Tussen werknemer en werkgever bestaat met ingang van 12 september 2022 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege eindigt op 12 september 2023. Werknemer vordert onder meer de betaling van achterstallig salaris over september 2022, januari en februari 2023 en het salaris vanaf maart 2023 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.
Oordeel
Werkgever is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Omdat werkgever geen verweer heeft gevoerd gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van werknemer. Werknemer heeft nader toegelicht dat het door hem gevorderde bedrag aan achterstallig loon over de maanden september 2022, januari 2023 en februari 2023 van € 5.990 een brutobedrag betreft. Werknemer stelt dat ook het loon over de maand maart 2023 van € 2.400 bruto opeisbaar is en dat betaling is uitgebleven. De vordering van werknemer ten aanzien van het achterstallige loon wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 8.390 bruto. Ook de vordering tot betaling van het toekomstige loon van € 2.400 bruto per maand (vanaf de maand april 2023) tot het rechtsgeldige einde van de arbeidsovereenkomst is toewijsbaar. Naar het oordeel van de kantonrechter is in de gegeven omstandigheden immers voldoende aannemelijk dat dit salaris niet zonder meer zal worden uitbetaald.