Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 17 mei 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:3413
Bouwen arbeidsongeschikte medewerkers op grond van de cao Kappers bovenwettelijke vakantiedagen op?

Feiten

Werknemer is op 1 december 2016 bij werkgever in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Kappers van toepassing. Werknemer is op 1 maart 2020 arbeidsongeschikt geworden. De loondoorbetalingsverplichting is op 18 februari 2022 geëindigd. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. In dat kader is discussie ontstaan over de hoogte van de bovenwettelijke vakantiedagen.  De bovenwettelijke vakantiedagen zijn buiten de regeling gehouden en partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat ook arbeidsongeschikte werknemers op grond van de cao Kappers aanspraak maken op bovenwettelijke vakantiedagen. Bovendien vordert werknemer uitbetaling van de door hem opgebouwde maar niet genoten bovenwettelijke vakantiedagen.

Oordeel

Werknemer vordert te verklaren voor recht dat (ook) arbeidsongeschikte werknemers op grond van de cao Kappers aanspraak maken op bovenwettelijke vakantiedagen (vijf regulier plus eventuele extra vakantiedagen op basis van leeftijd of lengte dienstverband). Werkgever heeft niet weersproken dat werknemer na het uitbrengen van de dagvaarding heeft aangeboden om de vordering betreffende de bovenwettelijke vakantiedagen te voldoen. Werknemer stelt dat hij, hoewel is aangeboden om de bovenwettelijke vakantiedagen te voldoen, wel degelijk belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht omdat niet alleen hij, maar alle werknemers die werkzaam zijn in de kappersbranche belang hebben bij duidelijkheid en een (openbare) rechterlijke uitspraak. Uit de hiervoor weergegeven stellingen van werknemer volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat onderhavige procedure voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht feitelijk is opgestart met het doel om een oordeel te krijgen van de rechter over de uitleg van de cao-bepalingen, in de vorm van een verklaring van recht. Zowel het verkrijgen van een verklaring voor recht als een (openbare) uitspraak is in het belang van CNV. Zij zien beide immers op het collectieve belang van werknemers die werkzaam zijn in de kappersbranche. Dat belang vertegenwoordigt CNV en niet werknemer. Het betreft in wezen een geschil tussen de CNV en de kappersbranche en niet tussen werknemer en werkgever. Op grond van het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen. Vaststaat dat werkgever heeft aangeboden om dit bedrag te voldoen. Gesteld noch gebleken is echter dat het gevorderde bedrag ook daadwerkelijk is betaald, zodat de kantonrechter hierover dient te oordelen. Gelet op het feit dat bij werkgever de bereidheid bestaat om de hoofdsom te betalen, geeft de kantonrechter – alvorens op de resterende vorderingen te beslissen – partijen in overweging om met elkaar in overleg te treden over een minnelijke oplossing van hun geschil. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.