Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Shell International B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23 mei 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:874
Verzoek voorlopig getuigenverhoor ook in hoger beroep afgewezen. Eerdere uitspraken tussen werknemer en Shell hebben gezag van gewijsde verkregen. Werknemer had een procedeerverbod. De voorgenomen procedure is kansloos. Werknemer wordt veroordeeld tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2006 in dienst getreden van Shell Information Technology B.V. (hierna: SITI). In de jaren daarna heeft hij bij verschillende andere ondernemingen behorende tot het Shell-concern gewerkt. Vanwege een wereldwijde reorganisatie bij Shell is werknemer per 1 april 2010 overtollig verklaard en heeft hij uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst getekend. Hierin hebben partijen elkaar finale kwijting verleend. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de beëindigingsovereenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand was gekomen en daarom vernietigd zou moeten worden. De kantonrechter heeft in 2016 hierover geoordeeld dat daar onvoldoende feitelijke grondslag voor bestond. De hierop volgende hogerberoepprocedure is geroyeerd, zodat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Het hof heeft dit in 2018 bekrachtigd. Bij vonnis van 7 november 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag in een bodemprocedure de vorderingen van werknemer tegen een van de Shell-vennootschappen uit onrechtmatige daad, omdat sprake zou zijn geweest van valsheid in geschrifte door HR-functionarissen, afgewezen. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde verkregen. Na verschillende procedures heeft de kantonrechter het door Shell gevorderde procedeerverbod toegewezen. In eerste aanleg heeft werknemer verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Volgens werknemer heeft de Shell Groep haar zorgplicht geschonden en daarmee een onrechtmatige daad gepleegd. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen omdat werknemer zijn vordering die ten grondslag lag aan het verzoek onvoldoende had onderbouwd. De kantonrechter heeft werknemer veroordeeld in de door Shell werkelijk gemaakte kosten, omdat sprake is van misbruik van procesrecht dan wel een onrechtmatige daad omdat uit de voorgeschiedenis bleek dat de vorderingen evident kansloos waren. Hier komt werknemer tegen in hoger beroep.

Oordeel

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter waarbij een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor werd afgewezen. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat de procedure die verzoekers stellen te willen instellen (die strekt tot vergoeding van schade als gevolg van door die vennootschap gepleegde onrechtmatige daden) kansloos is omdat werknemer de vennootschappen die hij in die procedure zou willen betrekken in een vaststellingsoverkomst finale kwijting heeft gegeven. De eerdere poging van werknemer die vaststellingsovereenkomst door de rechter te doen vernietigen wegens dwaling heeft geen succes gehad. De desbetreffende gerechtelijke uitspraken zijn in kracht van gewijsde gegaan. Omdat het verzoek evident kansloos was, veroordeelt het hof verzoeker in de werkelijke proceskosten, wat de kantonrechter ook had gedaan.