Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 16 mei 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:3404
Verzoek vernietiging arbeidsovereenkomst afgewezen omdat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht (freelancer) met Omroep Limburg. Geen sprake van een schijnconstructie.

Feiten

Verzoekster is eigenaresse van een in september 2009 opgerichte eenmanszaak. Vanaf de oprichting van de eenmanszaak heeft verzoekster camera- en studiowerkzaamheden verricht voor L1, aanvankelijk met een toen nog geldende VAR-verklaring (verklaring arbeidsrelatie), die sinds medio 2016 is vervangen door modelovereenkomsten. Vanaf dat moment heeft verzoekster jaarlijks dergelijke modelovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. In de kop van die overeenkomsten staat ‘Overeenkomst van opdracht’. Gedurende de gehele periode hier van belang (2009 tot januari 2023) heeft verzoekster de door haar verrichte werkzaamheden bruto gefactureerd aan L1. Bij e-mail van 27 februari 2023 (gericht aan de gemachtigde van verzoekster) heeft L1 de overeenkomst met verzoekster opgezegd tegen 1 april 2023. Verzoekster verzoekt primair  vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, subsidiair de veroordeling van L1 om een billijke vergoeding te betalen en voorwaardelijk (voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden) de overeenkomst te ontbinden met inachtneming van de opzegtermijn, L1 te veroordelen de transitievergoeding en een billijke vergoeding te betalen.

Oordeel

De kantonrechter verweegt allereerst dat uit het systeem van artikel 7:681 lid 1 BW volgt dat in een situatie als daar bedoeld, de werknemer zelf de keuze zal moeten maken (op zijn laatst ter zitting) om ofwel vernietiging van de opzegging te verzoeken óf om - in plaats daarvan - zich neer te leggen bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar wel om veroordeling van de werkgever tot betaling van een billijke vergoeding te verzoeken omdat hij het met de door de werkgever opgegeven reden van de opzegging niet eens is. Dat is dus niet een kwestie van een primair en subsidiair verzoek maar een kwestie van het een óf het ander: als het primaire verzoek wordt afgewezen (en de opzegging dus in stand blijft), dan komt de billijke vergoeding óók niet in beeld. Dat gezegd hebbende, is voornoemde overweging uiteraard slechts dan aan de orde indien geoordeeld zou worden dat inderdaad sprake is geweest van een (of meer) arbeidsovereenkomst(en) tussen verzoekster als werkneemster enerzijds en L1 als werkgever anderzijds, zoals verzoekster bepleit. Dat is de kern van het onderhavige geschil. De kantonrechter oordeelt dat daarvan geen sprake is. L1 heeft in dit kader een voor een de aspecten die verzoekster had aangedragen gemotiveerd betwist. Alle omstandigheden maken, in onderlinge samenhang bezien, dat duidelijk sprake was van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst. Van een schijnconstructie ter maskering van een arbeidsovereenkomst is niet gebleken. Dit betekent dat het verzoek integraal zal worden afgewezen.