Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 5 juli 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:4701
Beroep van werkgever op verrekening met te veel betaald loon wordt toegewezen.

Feiten

Werkneemster is in 2018 in dienst getreden bij werkgeefster als logistiek medewerker op basis van een oproepovereenkomst. Per 1 januari 2020 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten met een arbeidsomvang van 40 uur per week. Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst op 28 september 2021 opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden. Op 21 december 2021 heeft nog een betaling plaatsgevonden van werkgeefster aan werkneemster en hierna heeft nog een eindafrekening plaatsgevonden. Op 29 juli 2022 ontvangt werkneemster een mail van Classic Incasso B.V. namens werkgeefster waarin zij betaling eist van een bedrag van € 1.261,17 wegens te veel ontvangen loon over de maand december. Werkneemster heeft op 5 augustus 2022 ook per ommegaande betaling gevorderd van de eindafrekening. Werkneemster vordert betaling van de eindafrekening, nu werkgeefster deze nooit heeft betaald. Werkgeefster vordert het te veel betaald loon over december 2021.

Oordeel

Werkgeefster heeft de vordering van werkneemster tot betaling van de eindafrekening erkend, zodat deze vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt, tenzij werkgeefster slaagt in haar verweer dat zij een tegenvordering heeft op werkneemster. Werkgeefster stelt dat zij in december 2021 een bedrag van € 1.658,81 netto onverschuldigd aan werkneemster heeft betaald. In dat kader voert werkgeefster aan dat partijen te laat overeenstemming hebben bereikt over een vaste arbeidsomvang om het loon over de maand januari 2020 nog in diezelfde maand uit te kunnen betalen. Werkgeefster heeft het loon naar eigen zeggen gecorrigeerd in maart 2020 en is vanaf dat moment overgegaan tot uitbetaling in dezelfde maand. Uit de door werkgeefster in het geding gebrachte stukken blijkt ook dat in maart 2020 een veel hoger loon is uitbetaald dan in de twee maanden daarvoor en de maanden erna. Werkneemster heeft niet betwist dat zij die maand een betaling van € 2.615,57 netto heeft ontvangen. Evenmin heeft werkneemster een nadere verklaring gegeven voor deze hogere betaling. Naar het oordeel van de kantonrechter staat daarmee vast dat werkneemster met ingang van 1 januari 2020 het loon over een bepaalde maand in diezelfde maand kreeg betaald, in plaats van in de maand erop. Het beroep van werkgeefster op onverschuldigde betaling is terecht. Werkneemster heeft verder geen verweer gevoerd tegen de verrekening door werkgeefster van de eindafrekening met deze onverschuldigde betaling. Werkneemster heeft dus niets te vorderen van werkgeefster. Andersom is werkneemster het bedrag aan te veel uitbetaald loon verschuldigd aan werkgeefster. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu de hiervoor genoemde brief van 25 juli 2022 niet voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt. Er is immers een te korte termijn, namelijk slechts vijf dagen, voor betaling gegund.