Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 1 januari 2011 in dienst bij werkgever als sales manager fencing systems. Hij valt onder de Cao Metaalbewerkingsbedrijf. In zijn arbeidsovereenkomst zijn een concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. Op 15 december 2022 heeft werkgeefster werknemer schriftelijk erover geïnformeerd dat haar overzeese activiteiten worden overgedragen aan Fenceweb Projects B.V. vanaf 1 januari 2023. Werknemer heeft aangegeven niet onder de nieuwe werkgever te willen werken en heeft zijn werkzaamheden beëindigd. Er zijn vervolgens onderhandelingen gevoerd over het beëindigen van het dienstverband, waarbij werknemer heeft aangegeven dat hij een transitievergoeding wilde ontvangen. Deze onderhandelingen hebben geen bevredigend resultaat opgeleverd. Uiteindelijk is werknemer op 22 mei 2023 weer bij werkgeefster gaan werken, met als aandachtsgebied Scandinavië. Werknemer eist onder meer schorsing dan wel matiging van het concurrentiebeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij schorsing of matiging van het concurrentiebeding of bij toekenning van een vergoeding volgens artikel 7:653 lid 5 BW. Werknemer heeft geen andere baan en heeft nog niet actief gezocht naar een nieuwe baan in de hekwerkenbranche, waarin hij zijn kennis en ervaring heeft opgedaan. Bovendien wil werkgeefster werknemer graag als werknemer behouden en is zij bereid met hem in gesprek te blijven over zijn taken en de arbeidsrelatie. Daarbij is het onduidelijk wat werknemer van plan is na het beëindigen van het dienstverband, waardoor een goede afweging tussen het belang van werkgeefster bij handhaving van het concurrentiebeding en het belang van werknemer bij schorsing of matiging ervan niet mogelijk is. De vordering van werknemer wordt afgewezen.