Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Academisch Medisch Centrum
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 mei 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1149
Werkneemster heeft voorafgaand aan het ontstaan van haar arbeidsongeschiktheid de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd door middel van een duidelijke en ondubbelzinnige mededeling.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 oktober 2020 in dienst bij het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC). Op 3 april 2022 heeft werkneemster een mail gestuurd aan haar leidinggevende, waarin zij – kort samengevat – aangaf te hebben besloten om het dienstverband te beëindigen, omdat alles haar te veel werd en haar lichaam en mentale toestand hier moeite mee hebben. Op 4 april 2022 heeft werkneemster een gesprek gehad met X en Y, eveneens werkzaam bij AMC. Zij hebben gesproken over het ontslag en de einddatum die mede afhankelijk was van de vrije dagen die werkneemster nog had. In dat gesprek heeft werkneemster medegedeeld dat zij in de toekomst als zzp'er in de zorg zou willen gaan werken. Op 22 april 2022 heeft werkneemster een auto-ongeluk gehad, waardoor zij arbeidsongeschikt is geraakt. Werkneemster heeft haar ontslag niet via het systeem doorgegeven, ook niet na mails van het AMC met dit verzoek. Op 15 juni 2022 heeft AMC het ontslag per 1 juni 2022 schriftelijk bevestigd. AMC heeft werkneemster niet ziek uit dienst gemeld bij het UWV. In dit kort geding vordert werkneemster een voorlopige voorziening waardoor zij weer kan worden toegelaten tot het werk, alsmede achterstallig loon. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, omdat haar opzegging niet rechtsgeldig is. Hiertoe heeft zij onder meer gesteld dat haar opzegging weliswaar duidelijk is, maar niet ondubbelzinnig, aangezien haar opzegging deels het karakter had van een ziekmelding. Ook is de opzegging niet gedaan aan de juiste persoon, zo stelt zij. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt werkneemster in hoger beroep op.

Oordeel

Anders dan de kantonrechter heeft overwogen is het hof vooralsnog van oordeel dat de e-mail van 3 april 2022 moet worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige mededeling. De e-mail laat er geen misverstand over bestaan dat werkneemster tot het besluit is gekomen een einde te maken aan haar dienstverband en dat zij dit besluit bewust heeft genomen na lang nadenken, na voor- en nadelen tegen elkaar te hebben afgewogen en na bespreking met mensen om haar heen. De enkele toevoeging dat alles haar te veel wordt en dat haar lichaam en mentale toestand daar moeite mee hebben, maakt de kennisgeving van dit besluit niet dubbelzinnig. Na de verzending van deze e-mail op 3 april 2022 hebben zich geen omstandigheden voorgedaan op grond waarvan er bij AMC twijfel had moeten rijzen over de intenties van werkneemster. Integendeel, in het gesprek op 4 april 2022 heeft zij geen ander geluid laten horen. Verder is niet gesteld of gebleken dat zij in de drie maanden erna hier nog op terug is gekomen. Eerst ruim drie maanden na 4 april 2022 (namelijk op 16 juli 2022) heeft werkneemster bij monde van haar gemachtigde de geldigheid van haar opzegging aangekaart. Het enkele feit dat werkneemster in de maanden na 4 april 2022 heeft nagelaten om de vereiste administratieve handeling te verrichten om het ontslag bij HR te melden is onvoldoende om twijfel te doen rijzen over haar opzegging van 3 april 2022. Ter zitting heeft zowel werkneemster als haar advocaat in antwoord op vragen van het hof verklaard dat zij enkel vanwege de aanvankelijke afwijzing van een Ziektewet-uitkering in actie is gekomen en richting AMC de stelling is gaan innemen dat zij nooit had bedoeld ontslag te nemen. Gezien dit alles heeft werkneemster niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van haar e-mail van 3 april 2022 en de bespreking daarvan op 4 april 2022 in een hevige gemoedstoestand verkeerde of handelde onder invloed van een stoornis van haar geestvermogens en AMC redenen had moeten hebben om te twijfelen aan haar wil ten aanzien van de opzegging. Dit leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de vordering van werkneemster terecht heeft afgewezen.