Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Progress Uitzendbureau B.V.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 13 juli 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:3449
Uitzendovereenkomst. Vordering achterstallig loon afgewezen op grond van artikel 22 ABU-cao 2012-2017. Geen aanpassing inlenersbeloning met terugwerkende kracht. Vordering leegloop onvoldoende gemotiveerd door het overleggen van een tabel zonder toelichting.

Feiten

Werkneemster is op 26 april 2004 bij Progress Uitzendbureau B.V. (hierna: Progress) in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst, zijnde een uitzendovereenkomst. Thans is sprake van een arbeidsovereenkomst fase C voor onbepaalde tijd. Het salaris bedraagt € 8,75 per uur. Werkneemster is vanaf 1 november 2012 ingeleend door RPI-Paro B.V. (hierna: RPI). In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat er sprake is van een uitzendovereenkomst en dat steeds de meest recente versie van de ABU-cao van toepassing is. Werkneemster stelt dat er sprake is van onderbetaling omdat Progress niet volledig conform de geldende (inleen-)cao heeft verloond, zoals voorgeschreven door artikel 8 Waadi. Op grond van artikel 19 ABU-cao en artikel 8 lid a Waadi dient de inlenersbeloning te worden toegepast met uitzondering van de eerste 26 weken. Progress had zich er, in het kader van goed werkgeverschap, van dienen te vergewissen welke cao bij de inlener van toepassing is en werkneemster ook dienen te belonen conform de juiste inleen-cao. RPI valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde Grafimedia-cao en deze is ook van toepassing verklaard op de uitzendbevestigingen. Progress had werkneemster dan ook dienen te belonen conform de Grafimedia-cao. Uit de overgelegde loonstroken blijkt dat Progress de inlenersbeloning onjuist heeft toegepast. Werkneemster vordert onder meer nabetaling van periodieken, leegloop, vergoeding schade WAZO en reiskostenvergoeding. Progress betwist de stellingen van werkneemster.  

Oordeel

Uitbetaling conform de inlenersbeloning (de primaire vordering)

Met haar loonvordering vordert werkneemster in feite aanpassing van de eerder toegepaste inlenersbeloning. De kantonrechter toetst aan de hand van artikel 22 lid 8 ABU-cao 2012-2017 en artikel 16 lid 9 ABU-cao 2021-2023. Naar het oordeel van de kantonrechter is van opzet of kennelijk misbruik door Progress niet gebleken. De stelling van werkneemster dat sprake is van opzet en/of kennelijk misbruik omdat Progress onder het minimumloon zou hebben uitbetaald kan niet worden gevolgd. Daar komt bij dat in de door werkneemster overgelegde loonstroken geen aanknopingspunten zijn te vinden dat Progress haar onder het minimumloon zou hebben uitbetaald.

Leegloop (conform de subsidiaire vordering)

Partijen zijn het erover eens dat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met een arbeidsomvang van 144 uur per vier weken en dat om deze vier weken dient te worden verloond. De vordering met betrekking tot de leegloop is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen.

Vergoeding schade WAZO (conform de subsidiaire vordering) en reiskosten

Aangezien zowel de primaire vorderingen als de subsidiaire vordering omtrent de leegloop wordt afgewezen, kan niet worden geconcludeerd dat de WAZO-uitkering, waarop werkneemster in 2017 en 2018 recht had, verkeerd is berekend en uitbetaald. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de reiskosten stelt de kantonrechter vast dat werkneemster niets heeft aangevoerd tegen het verweer van Progress dat woon-werkverkeer geen zakelijke reiskosten zijn aangezien dit alleen kosten zijn die een werknemer maakt als hij/zij op pad gaat voor de werkgever. Nu de door werkneemster gevorderde reiskosten woon-werkverkeer betreffen en niet gesteld of gebleken is dat zij zakelijke reiskosten heeft gemaakt, wordt ook deze vordering afgewezen. Werkneemster wordt veroordeeld in de proceskosten.