Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 18 juli 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:1308
Feiten
Werkneemster is vanaf [dag 1] 2020 in dienst geweest bij Trustpack Services B.V. (hierna: Trustpack) als algemeen medewerker verpakkingen op basis van een nulurencontract. Partijen zijn de arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van een jaar, dus tot [dag 1] 2021. Het loon bedroeg (laatstelijk) € 10,21 bruto per uur exclusief 8% vakantietoeslag en werd (tegelijk met de vakantietoeslag) uitbetaald per vier weken. Werkneemster heeft vanaf [dag 4] 2020 (week 50) geen werk meer voor Trustpack verricht. In eerste aanleg heeft werkneemster in conventie gevorderd Trustpack te veroordelen tot betaling van een bedrag aan achterstallig salaris. In reconventie heeft Trustpack een bedrag aan achterstallige huur en parkeerboetes gevorderd. De kantonrechter heeft in conventie geoordeeld dat de vorderingen van werkneemster geheel kunnen worden toegewezen en dat in reconventie de vordering van Trustpack wat betreft de huurachterstand toewijsbaar is, met als resultaat dat Trustpack een bedrag van € 542,85 bruto aan achterstallig salaris dient te betalen vermeerderd met 50% wettelijke verhoging. Trustpack voert in hoger beroep zes grieven aan en vordert vernietiging van het vonnis.
Oordeel
Onbetaalde parkeerboetes
Ook in hoger beroep vordert Trustpack in reconventie veroordeling van werkneemster tot betaling van een bedrag van € 265,04 aan onbetaalde parkeerboetes. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. De vraag is echter of Trustpack hiertegen een grief richt. Trustpack voert op dat punt verder geen gronden aan voor vernietiging van het bestreden vonnis. Werkneemster moet immers kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren (vgl. HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505 en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970). Het hof komt tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar is.
Einddatum arbeidsovereenkomst (grief 1)
De kantonrechter heeft als vaststaand feit opgenomen dat werkneemster in de periode van [dag 1] tot en met [dag 2] 2020 in dienst is geweest bij Trustpack. Trustpack meent dat dit niet juist is. Volgens haar heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortgeduurd tot [dag 3] 2021, maar heeft zij vanaf [dag 4] 2020 geen gehoor meer gegeven aan oproepen om te komen werken. Het hof oordeelt dat voor de verdere beoordeling niet relevant is wanneer (en op welke wijze) de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. Trustpack heeft daarom geen belang bij deze grief, zodat deze grief niet verder wordt beoordeeld.
Wel of geen all-in uurloon overeengekomen (grief 3)
Het primaire verweer van Trustpack tegen de vorderingen van werkneemster tot betaling van achterstallig salaris houdt in dat op grond van de arbeidsovereenkomst tussen partijen vakantiedagen niet worden uitbetaald, omdat partijen een all-in uurloon zijn overeengekomen. Trustpack verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:177, NJ 2007, 228. Het hof oordeelt dat, nu Trustpack zich beroept op het rechtsgevolg van haar standpunt, te weten het niet verschuldigd zijn van salaris over vakantiedagen, het aan haar is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat partijen een all-in uurloon hebben afgesproken. Naar het oordeel van het hof hoefde werkneemster dan ook niet ervan uit te gaan dat in het salaris dat zij van Trustpack ontving ook een vergoeding voor de vakantiedagen was begrepen. Werkneemster heeft dus (in beginsel) alsnog recht op een vergoeding van de in augustus 2020 opgenomen vakantieuren en de opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren.
Loon tijdens vakantie (grief 2), rechtsvermoeden arbeidsomvang en referteperiode
Vast staat dat Trustpack aan werkneemster geen loon heeft betaald tijdens haar vakantie van 16 tot en met 30 augustus 2020. Werkneemster stelt dat zij als gevolg hiervan in salarisperiode 9 van 2020 te weinig loon heeft ontvangen. Zij beroept zich daarbij op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en voert aan dat haar arbeidsomvang over de maanden voorafgaande aan salarisperiode 9 gemiddeld 162 uur per salarisperiode (vier weken) bedroeg (totaal 809,75 gewerkte uren gedeeld door 5 salarisperiodes). Trustpack voert als verweer dat partijen een nulurencontract hebben gesloten, omdat Trustpack te maken heeft met seizoenswerk met pieken en dalen, dat een gemiddelde arbeidsomvang onrecht doet aan de realiteit van seizoenswerk en dat werkneemster wist en begreep dat zij een nulurencontract sloot zonder vaste arbeidsomvang. Het hof begrijpt dat Trustpack hiermee bedoelt te zeggen dat, omdat sprake is van een nulurencontract, er geen sprake kan zijn van een vaste arbeidsomvang en daarom het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW toepassing mist. Het hof gaat hieraan voorbij. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals Trustpack wenst, de resterende oorspronkelijke duur van de arbeidsovereenkomst (de periode vanaf [dag 4] 2020 tot [dag 1] 2021) mee te nemen in de referteperiode.
Uitbetaling niet genoten vakantiedagen (grief 3) en beroep op verrekening (grief 4)
Het hof wijst een aan werkneemster te betalen bedrag van € 493,33 bruto inclusief 8% vakantietoeslag toe. In hoger beroep komt een bedrag van € 1.452,66 bruto voor toewijzing aan werkneemster in aanmerking. Omdat het hof niet kan verrekenen, zullen de vorderingen in hoger beroep ieder afzonderlijk worden toegewezen. In zoverre slaagt de vierde grief. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover Trustpack in conventie is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 542,85 bruto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en de vordering van Trustpack in reconventie tot betaling van huurachterstand is afgewezen. Trustpack wordt veroordeeld tot betaling aan werkneemster van een bedrag van € 1.984,70 bruto, te vermeerderen met wettelijke verhoging. Werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.445,00 aan huurachterstand. De door beide partijen gevorderde wettelijke rente over voornoemde bedragen zal eveneens worden toegewezen, aangezien zij hiertegen over en weer geen afzonderlijk verweer voeren. Het bestreden vonnis wordt voor het overige bekrachtigd.