Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 augustus 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:7280
Feiten
Werkneemster vordert in kort geding achterstallig loon. Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 7 juli 2023 met één bijlage bestaande uit de brief van de rechtbank van 3 juli 2023 aan de gemachtigde van werkneemster met daarin de dagbepaling voor de behandeling van het kort geding. Op 4 augustus 2023 is de zaak tijdens een zitting met werkneemster en haar gemachtigde besproken. Infinitascare B.V. (hierna: Infinitascare) is niet verschenen, hoewel zij behoorlijk is opgeroepen.
Oordeel
Infinitascare is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Tegen haar is vervolgens verstek verleend. Namens werkneemster is pas op de zitting de originele dagvaarding met één bijlage overgelegd. Daarbij is toegelicht dat met “buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 2.497,13” in het petitum van de dagvaarding de bedragen worden bedoeld die in het overzicht van productie 8 staan verminderd met de loonkosten en vakantietoeslag. De rechtbank heeft dat overzicht als productie 8 met de conceptdagvaarding en producties 1 tot en met 9 per e-mail van 29 juni 2023 ontvangen. Dat die productie 8 en alle andere producties die de rechtbank per e-mail heeft ontvangen ook zijn betekend aan Infinitascare met de originele dagvaarding blijkt nergens uit. Het is daarom onduidelijk of Infinitascare met de inhoud van die (dezelfde) producties bekend is en ervan op de hoogte is dat een veroordeling van Infinitascare tot betaling van de in productie 8 genoemde bedragen wordt gevorderd. Dat laatste niet alleen omdat het onduidelijk is of aan Infinitascare de producties zijn betekend, maar ook omdat uit de dagvaarding zelf ook niet blijkt dat met “buitengerechtelijke incassokosten” een deel van de bedragen uit productie 8 worden bedoeld. Dat is pas toegelicht tijdens de zitting. De consequentie is dat de producties buiten beschouwing blijven en dat de in het overzicht genoemde bedragen niet geacht worden te zijn gevorderd of niet toewijsbaar zijn voor zover die bedragen niet ook in de dagvaarding zelf worden genoemd en worden onderbouwd. Over de wettelijke verhoging en de wettelijke rente wordt in het lichaam van de dagvaarding met geen woord gerept, laat staan dat daarvoor een onderbouwing is gegeven. Het enkel noemen van “wettelijke verplichtingen” in het petitum van de dagvaarding is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. De griffiekosten, kosten bijstand en advocaatkosten worden niet in de dagvaarding genoemd en evenmin onderbouwd. Bovendien wordt in het petitum een proceskostenveroordeling gevorderd die een vergoeding voor deze kosten pleegt in te sluiten. Het salaris van € 1.718,86 netto over de maand maart 2023 aan te vullen met een bedrag aan vakantietoeslag wordt wel genoemd en onderbouwd in de dagvaarding en wordt toegewezen, omdat die vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).