Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 22 augustus 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:7595
Feiten
Werknemer is op 14 februari 2022 voor bepaalde tijd in dienst getreden van werkgever. De arbeidsovereenkomst van werknemer is daarna tweemaal verlengd, de laatste keer op 14 februari 2023 voor de duur van een jaar tegen een brutomaandsalaris van € 1.984,11 exclusief vakantietoeslag. Op 25 april 2023 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt beëindigd en dat de eindafrekening uiterlijk op 23 mei 2023 zal plaatsvinden met verrekening van een bedrag van € 5.600 aan door werkgever voorgeschoten advocaatkosten. Op 8 juni 2023 bericht werknemer werkgever dat hij nog niet alles heeft ontvangen waar hij recht op heeft en daarom aanspraak maakt op zijn loon en vakantietoeslag tot en met april 2023 te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Op 15 juni 2023 schrijft werkgever dat werknemer gedurende zijn dienstverband gebruik heeft gemaakt van de kantooradvocaat en dat werkgever om die reden het loon over periode 4 en 5 heeft verrekend met een bedrag van € 3.500 aan advocaatkosten. Op 21 juni 2023 schrijft de gemachtigde van werknemer dat werknemer ziek was gemeld sinds maart 2023 en dat er geen rechtsgeldige beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. Ook wordt werkgever gesommeerd het achterstallige loon aan werknemer te betalen en is werknemer volgens zijn gemachtigde geen juridische kosten verschuldigd. Werknemer stelt een loonvordering in en baseert zich daarbij op het ontbreken van wilsovereenstemming en de wilsgebreken. Volgens werknemer heeft werkgever misbruik gemaakt van het feit dat werknemer gebrekkig Nederlands spreekt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer ontvangt momenteel een (voorlopige) WW-uitkering en niet of onvoldoende is gesteld dat die uitkering onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Het spoedeisend belang van werknemer is daarom beperkt. Daarnaast wil de kantonrechter bij de huidige wederzijds aangevoerde stellingen en verweren niet vooruitlopen op het oordeel in een bodemprocedure, dat de beëindigingsovereenkomst vanwege het ontbreken van wilsovereenstemming niet rechtsgeldig tot stand is gekomen of vernietigbaar is wegens een wilsgebrek. Hoewel er twijfels zijn bij de juistheid van de handelswijze van werkgever, worden zijn verweren ondersteund door de door hem aangevoerde omstandigheden (werknemer kon na zijn echtscheiding het werk niet meer combineren met zijn zorgtaken voor zijn neefje) en het aanvankelijke verzoek van werknemer d.d. 8 juni 2023 om, gelet op de beëindiging, het loon te betalen. Niet duidelijk is op dit moment of wilsovereenstemming ontbrak of zich een wilsgebrek voordeed. Een kortgedingprocedure leent zich niet voor bewijslevering. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het belang van werknemer bij een voorlopige voorziening niet opweegt tegen het belang van werkgever een bodemprocedure af te wachten. De eis van werknemer wordt afgewezen.