Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 31 augustus 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:4297
Feiten
Werkneemster is in 2020 in dienst getreden bij werkgeefster als gynaecologe voor 27 uren per week. Werkgeefster is een kleinschalige vrouwenkliniek, waar tien medewerkers werken, onder wie vier gynaecologen. De directie wordt gevoerd door A (tevens gynaecoloog) en B. Op 1 maart 2023 heeft werkgeefster een klacht van patiënte B. ontvangen over het missen van baarmoederhalskanker in de uitslag van een biopt. Deze klacht is gemaild aan het algemene e-mailadres van werkgeefster en gericht aan werkneemster. Door de e-mail van patiënte B. is werkgeefster op de hoogte geraakt van deze situatie; werkneemster heeft dit eerder niet gemeld. Op 16 maart 2023 hebben A en B een gesprek met werkneemster gehad, onder andere over de klacht en ook over het besluit van werkgeefster om een nieuwe collega aan te trekken. Werkneemster was het met dat laatste besluit niet eens. Op 23 maart 2023 zijn A en B opnieuw met werkneemster in gesprek gegaan. Na het gesprek van 23 maart 2023 heeft werkgeefster op 24 maart 2023 een brief aan werkneemster geschreven over de gebeurtenissen die zich in de afgelopen periode hebben voorgedaan. Werkgeefster schrijft in deze brief onder andere dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen werkneemster enerzijds en A en B anderzijds, maar ook van een zeer moeizame samenwerking tussen werkneemster en het ondersteunend personeel. Ook geeft werkgeefster aan dat het vertrouwen als gevolg van de door werkneemster gemaakte medische fout en meer in het bijzonder het feit hoe zij daarmee is omgegaan ernstig is beschadigd. Werkgeefster heeft mediation voorgesteld om te bezien of het vertrouwen kan worden hersteld en vraagt werkneemster op korte termijn te laten weten naar welke van de drie voorgestelde mediators haar voorkeur uitgaat. Werkgeefster stelt tenslotte voor dat werkneemster haar werkzaamheden blijft verrichten onder een aantal voorwaarden. Bij e-mailbericht van 30 maart 2023 heeft werkneemster een mediator voorgesteld. Werkgeefster is met deze mediator akkoord gegaan. Op 3 april 2023 is werkneemster op de OK en in de koffiekamer gekomen. Onder verwijzing naar de brief van 24 maart 2023 heeft A werkneemster verzocht te vertrekken, maar werkneemster heeft dat aanvankelijk geweigerd. Pas na (telefonische) tussenkomst van B is werkneemster vertrokken. Op 17 april 2023 heeft het eerste mediationgesprek plaatsgevonden. Bij brief van 22 mei 2023 heeft de gemachtigde van werkgeefster een beëindigingsvoorstel gedaan aan de gemachtigde van werkneemster, omdat volgens werkgeefster tijdens de mediaton is gebleken dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie en een totaal gebrek aan vertrouwen. Bij e-mail van 30 mei 2023 heeft de gemachtigde van werkneemster daarop gereageerd dat werkneemster niet instemt met het voorstel van werkgeefster. Op 31 mei 2023 is de mediation zonder resultaat beëindigd. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g-grond.
Oordeel
Voorzover werkneemster wil betogen dat de verstoorde arbeidsverhouding niet zodanig is, dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, volgt de kantonrechter haar daarin niet. Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden. Volgens werkgeefster verliepen de gesprekken vaak moeizaam, liepen de gemoederen hoog op en liep werkneemster vaker boos weg. Werkneemster betwist dat laatste, in ieder geval ten aanzien van het gesprek van 23 maart jl.; volgens werkneemster liep zij niet kwaad de zaal uit maar was de bespreking klaar. Werkneemster benoemt juist dat A vaak briesend op de werkvloer rondliep en boos wegliep als werkneemster haar ergens op aansprak. Beiden wijzen dus naar de ander als degene die met haar boze gedrag een constructief overleg onmogelijk maakte. Wat daar ook van zij, geconstateerd kan worden dat de communicatie tussen partijen in ieder geval moeizaam verliep. Omdat partijen er onderling niet uitkwamen, heeft werkgeefster vervolgens mediation voorgesteld. Werkneemster vindt dat werkgeefster zich niet heeft ingespannen om de verhoudingen te verbeteren, maar werkgeefster heeft de mediation voorgesteld en mediation is vervolgens ook gestart. De kantonrechter volgt werkneemster niet in haar stelling dat uit de op non-actiefstelling volgt dat de mediation niet serieus is ingestoken. Zoals uit de brief van 24 maart 2023 ook blijkt, is de insteek van werkgeefster voor de mediation het wederzijdse beschadigde vertrouwen te herstellen om te komen tot een prettige voortzetting van de samenwerking. Voorafgaand aan de mediation zag werkgeefster als gevolg van het beschadigde vertrouwen geen mogelijkheid meer voor een constructieve samenwerking en dat was de reden voor de op non-actiefstelling op dat moment. Dat beschadigde vertrouwen wilde werkgeefster in de mediation herstellen. Dat is uiteindelijk echter niet gelukt. Uit de overgelegde gedingstukken en hetgeen ter zitting is gesteld volgt dat partijen in de loop van de tijd steeds meer tegenover elkaar zijn komen te staan. Werkneemster wil dat oplossen door middel van een communicatietraining of mediation, maar mediation is eerder niet succesvol gebleken en niet valt in te zien hoe het vertrouwen hersteld kan worden door een communicatietraining. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan. Gelet op de verwijten die partijen elkaar over en weer maken, is de kantonrechter verder van oordeel dat herplaatsing van werkneemster binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen.