Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 20 juli 2023
ECLI:NL:RBGEL:2023:4976
Feiten
Werkgeefster voert personeelsdiensten uit voor haar zusterbedrijven met paardgerelateerde activiteiten. Werkneemster is vanaf 19 september 2022 in dienst voor bepaalde tijd van zeven maanden als medewerker marketing, communicatie en events. Werkneemster heeft recht op een salaris op basis van een 32-urige werkweek van € 2.000 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en een onkostenvergoeding van € 200 netto per maand. Het dienstverband is geëindigd op 18 april 2023. Ondanks herhaalde sommaties wordt het loon vanaf 19 januari 2023 tot en met 18 april 2023 niet voldaan. Werkneemster vordert het achterstallige salaris van € 6.000 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, de aanzegvergoeding van € 2.000 bruto en de transitievergoeding.
Oordeel
Werkgeefster erkent dat zij het bruto achterstallig loon en de nettovergoedingen over de periode januari 2023 tot het einde van het dienstverband geheel overeenkomstig de verstrekte loonstroken, waarop een betaling van € 1.000,98 netto in mindering komt, aan werkneemster is verschuldigd. Voor wat betreft de gevorderde wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen reden tot matiging. De financiële krapte bij werkgeefster was al voor de aanvang van het dienstverband duidelijk, zodat de gevolgen van het niet kunnen nakomen van een desondanks aangegane loonverplichting, volledig voor rekening en risico van werkgeefster komen. Ook de verschuldigdheid van de vakantietoeslag is niet betwist. Dat geldt ook voor de aanzegvergoeding, omdat werkgeefster werkneemster niet heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Werkgeefster stelt niet te weten dat dit schriftelijk moest plaatsvinden. De kantonrechter overweegt, mede onder verwijzing naar het arrest van 7 oktober 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1374), dat artikel 7:668 BW geen ruimte laat af te wijken van het vereiste van een schriftelijke notificatie omdat het een prikkel tot naleving van de plicht tot schriftelijke aanzegging betreft. Met dat karakter strookt dat de aanzegvergoeding verschuldigd is bij niet-inachtneming van het schriftelijkheidsvereiste, zelfs als het de werkneemster langs andere weg duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet of de werkneemster geen nadeel heeft geleden door het niet naleven van het schriftelijkheidsvereiste, aldus de Hoge Raad. De kantonrechter kent daarom de aanzegvergoeding van één maand toe (€ 2.000 bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2023. Ook de transitievergoeding (€ 420 bruto) wordt toegekend.