Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 september 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:8828
Feiten
Werknemer is per 1 september 2019 in dienst getreden bij RAC2 B.V. (hierna: RAC2) als eerste automonteur. In de arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding opgenomen waarin onder meer is bepaald dat bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen 24 maanden na het behalen van het diploma en/of certificaat de door werkgever betaalde scholingskosten naar evenredigheid worden verrekend. Gedurende zijn arbeidsovereenkomst heeft werknemer meerdere studies gevolgd waarvan RAC2 de kosten heeft betaald. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 februari 2023. Bij de eindafrekening heeft RAC2 een bedrag van € 3.678,38 aan studiekosten verrekend met het loon dat werknemer nog tegoed had. Werknemer eist in deze procedure dat RAC2 dit bedrag alsnog aan hem uitbetaalt.
Oordeel
Het studiekostenbeding: de eisen die daarvoor gelden, de uitleg van het beding en rechtsgeldigheid
Het studiekostenbeding is niet in de wet geregeld, maar uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816) volgt dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen een financiële regeling tussen een werkgever en een werknemer op grond waarvan de werkgever kosten ten behoeve van de scholing van de werknemer wil terugvorderen. Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad gaat over terugbetaling van loon (studiekosten in ruime zin), is het volgens de kantonrechter vaste rechtspraak dat deze beoordelingsmaatstaf ook geldt voor de opleidingskosten zelf (studiekosten in enge zin). Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij geen studiekosten hoeft terug te betalen omdat hij de studies die RAC2 bij hem in rekening brengt, niet heeft behaald. Volgens RAC2 is de periode van 24 maanden nooit gaan lopen, omdat werknemer de studies niet heeft behaald en heeft RAC2 uit coulance onverplicht afgeschreven op de studiekosten. Beide partijen leggen het studiekostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet juist uit. Voor de uitleg van het studiekostenbeding moet namelijk niet alleen worden gekeken naar de taalkundige uitleg van die bepaling, maar ook naar de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en naar hetgeen zij op grond daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Partijen hebben er bij de totstandkoming van het beding blijkbaar niet bij stilgestaan dat een opleiding ook kan eindigen zonder diploma of certificaat. Volgens de uitleg die werknemer aan het studiekostenbeding geeft, hoeft hij in dat laatste geval nooit studiekosten terug te betalen, ondanks dat hij de betreffende opleiding wel heeft gevolgd en RAC2 de kosten daarvoor heeft betaald. Gelet op de investeringen van RAC2 en het kenbare oogmerk van RAC2 dat zij gedurende enige tijd van de betaalde opleiding wilde profiteren, mocht werknemer er op grond van het studiekostenbeding redelijkerwijs niet op vertrouwen dat hij de niet behaalde, maar wel gevolgde opleidingen nooit hoefde terug te betalen aan RAC2 bij een voortijdig vertrek. Volgens de uitleg van RAC2 aan de andere kant moet werknemer de kosten voor (wel gevolgde, maar) niet behaalde opleidingen altijd terugbetalen bij het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht hoe lang de arbeidsovereenkomst nadien nog heeft geduurd. Deze uitleg ligt evenmin voor de hand en werknemer hoefde dit op grond van het studiekostenbeding niet te verwachten. Een redelijke uitleg van de afspraken tussen partijen brengt met zich mee dat de tijdspanne gedurende welke RAC2 geacht wordt baat te hebben bij de door werknemer gevolgde opleiding begint op het moment dat de opleiding (al dan niet succesvol) is geëindigd en dat op dat moment de terugbetalingsverplichting evenredig begint te verminderen. De kantonrechter is van oordeel dat het studiekostenbeding, dat zowel in de eerste, tijdelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen als in de tweede arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, duidelijk is en voldoet aan de overige eisen die daarvoor gelden: het beding stelt de periode vast waarin RAC2 baat heeft bij de opleiding (24 maanden) en bepaalt dat de terugbetalingsverplichting naar evenredigheid vermindert.
De gevolgde opleidingen waren niet verplicht voor de functie van werknemer (art. 7:611a BW)
Werknemer stelt dat de kosten van een aantal opleidingen voor rekening van RAC2 komen, omdat RAC2 verplicht was hem deze scholing te verstrekken om het werk waarvoor hij was aangenomen, uit te voeren. Dit standpunt wordt verworpen. Werknemer is aangenomen als eerste monteur. Partijen zijn het erover eens dat werknemer geen aanvullende opleiding nodig had om zijn werkzaamheden als eerste monteur uit te kunnen voeren.
RAC2 mag de btw aan werknemer doorbelasten
Volgens werknemer brengt RAC2 onterecht ook de btw bij hem in rekening, terwijl RAC2 de btw kan aftrekken bij de aangifte omzetbelasting. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet. Werknemer is uiteindelijk als afnemer van de opleidingen de btw over de opleidingskosten verschuldigd. Werknemer voert geen feiten of omstandigheden aan waaruit zou volgen dat RAC2 de btw die hij aan haar moet betalen niet zal afdragen of al heeft afgedragen aan de Belastingdienst, zoals zij wettelijk verplicht is te doen.