Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 21 september 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:4553
Feiten
VDL GL Precision B.V. (hierna: VDL GL) is onderdeel van de VDL Groep, een internationaal industrieel familiebedrijf. Binnen VDL GL was het gebruikelijk dat individuele salarisaanpassingen (dus niet de algemene salarisaanpassingen conform de geldende cao) werden doorgevoerd per 1 januari van ieder jaar. In november 2022 heeft VDL GL besloten de individuele salarisaanpassingen voortaan te laten plaatsvinden per 1 maart van ieder jaar. VDL GL heeft dit voorgenomen besluit op 14 november 2022 aan de OR en op 28 november 2022 aan alle medewerkers kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van de interne mededeling van 28 november 2022 heeft de OR zich op het standpunt gesteld dat VDL GL al is begonnen met het uitvoeren van het voorgenomen besluit (hierna: het besluit). Bij brief van 21 december 2022 heeft de OR een beroep gedaan op de nietigheid van het besluit, omdat hij meent dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit in de zin van artikel 27 WOR, terwijl hij niet betrokken is bij de besluitvorming. VDL GL heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een instemmingsplichtig besluit. De directie heeft op 15 maart 2023 een interne mededeling binnen de onderneming verspreid dat bij de salarisbetaling van maart het salaris inclusief individuele verhoging (indien van toepassing) zal worden uitbetaald. De OR verzoekt de kantonrechter onder meer te bepalen dat het besluit tot het verplaatsen van het moment van de individuele salarisverhoging van januari naar maart onder het instemmingsrecht valt op grond van artikel 27 WOR en VDL GL een verbod op te leggen de verschuiving van salarisronde door te voeren, zolang een nog op te starten instemmingstraject met de OR daarover niet is afgerond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Primair beroept de OR zich op artikel 27 lid 1 sub c WOR, waarin is bepaald dat de ondernemer de instemming van de ondernemingsraad behoeft voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een belonings- of functiewaarderingssysteem. Anders dan de OR betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat het besluit om de individuele salarisaanpassing structureel niet meer in januari maar in maart door te voeren, niet ziet op de wijziging van het beloningssysteem. Het nu door VDL GL genomen besluit heeft enkel gevolgen voor het tijdstip waarop een (eventuele) individuele salarisverhoging wordt toegepast, maar er is geen sprake van een wijziging van het systeem van toekenning van beloningen aan bepaalde functies en er wordt geen wijziging gebracht in de onderlinge rangorde van beloningen. Deze uitleg is in lijn met de restrictieve uitleg van de Hoge Raad in het Holland Casino-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AF0155) en de jurisprudentie over de uitleg van het begrip ‘beloningsysteem’. Aan artikel 27 lid 1 sub g WOR kan evenmin een instemmingsrecht worden ontleend. Daarin is bepaald dat de ondernemer instemming van de ondernemingsraad behoeft voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling. Het verschuiven van de datum voor een (jaarlijkse) salarisaanpassing van 1 januari naar 1 maart houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen (direct) verband met een systeem van personeelsbeoordeling. Tot slot beroept de OR zich op een convenant uit 2015, het jaar waarin de onderneming van VDL GL is overgenomen door VDL. Op grond van artikel 5 van het convenant moeten na het eerste jaar na de overname voorstellen tot wijziging van bedrijfsregelingen binnen VDL GL in het kader van de door VDL geambieerde harmonisatie ter instemming worden voorgelegd aan de OR. Van een situatie als bedoeld in artikel 5 is echter geen sprake, nu van een wijziging van een geldende bedrijfsregeling geen sprake is. Er zijn slechts twee bedrijfsregelingen en door het besluit wijzigen die reglementen niet. Een en ander is door de OR niet weersproken. De OR heeft op zitting nog aangevoerd dat het standpunt van VDL GL, dat hetgeen in het convenant is overeengekomen alleen geldt voor de twee genoemde bedrijfsreglementen, in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Ook in die stellingname wordt de OR niet gevolgd. De OR kan daarom ook aan het convenant geen instemmingsrecht ontlenen wat betreft het gewraakte besluit. Afwijzing van de verzoeken van de OR volgt.