Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgeefster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 5 oktober 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:8349
Werknemer heeft niet voldaan aan de op hem rustende stel- en bewijsplicht dat werkgeefster valt onder de cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven.

Feiten 

Werknemer is sinds 1 februari 2017 in dienst getreden bij werkgeefster. Werknemer is na een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid op 25 mei 2021 opnieuw uitgevallen. Inmiddels re-integreert werknemer in het kader van het tweedespoortraject. Werkgeefster heeft op 9 februari 2022 een ontbindingsverzoek ingediend, dat is afgewezen vanwege het opzegverbod. Inmiddels is het UWV toestemming verzocht voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek van werkgeefster heeft het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven aangegeven dat werkgeefster niet onder de wettelijke verplichtstelling valt. Werkgeefster is een ongebonden werkgever. Er is geen cao van toepassing verklaard in de arbeidsovereenkomst. De cao voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven is over meerdere periodes in 2017 t/m 2023 algemeen verbindend verklaard. Volgens de boekhouder van werkgeefster viel werkgeefster niet onder de werkingssfeer van de cao, zoals omschreven in artikel 1 van de cao. Werknemer heeft de Vakraad voor de meubelindustrie gevraagd om een formeel advies over de toepassing van de werkingssfeer van de cao op werkgeefster. De Vakraad heeft Providius ingeschakeld voor onderzoek. De conclusie was dat werkgeefster op basis van het representatief geachte jaar 2019 niet onder de werkingssfeer van de cao valt, ook niet als de periode van langdurige ziekte van een meubelmaker wordt meegewogen. Werknemer verzoekt o.a. betaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft overwogen dat op werknemer de stelplicht en bewijslast rust van zijn stelling dat de cao van toepassing is en dat hij het verweer van werkgeefster daartegen onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.  

Oordeel 

Het hof constateert dat werknemer in zijn beroepschrift slechts terloops opmerkt dat de werkplaats gekwalificeerd moet worden als een afdeling van de onderneming waar men zich hoofdzakelijk bezighoudt met de in de cao genoemde activiteiten. Het hof is van oordeel dat werknemer deze mogelijke subsidiaire grondslag voor zijn verzoeken met betrekking tot de cao onvoldoende duidelijk naar voren heeft gebracht. Van een duidelijk kenbare beroepsgrond of beroep op een voldoende onderbouwde grondslag is daarmee geen sprake en het hof gaat daarom aan die opmerking voorbij. Werknemer voert wel argumenten aan waaruit kan volgen dat werkgeefster voldoet aan het ‘hoofdzakelijkheidscriterium’ in de cao. Daarbij moet volgens hem, anders dan Providius naar zijn mening doet, niet alleen gekeken worden naar medewerkers die de werkzaamheden verrichten die zijn beschreven in artikel 1 lid 1 van de cao, maar ook naar werknemers die hen in staat stellen om die werkzaamheden te verrichten, daarbij ondersteuning verlenen of anderszins faciliteren, of zorgen dat de producten van de bedrijfsuitoefening afzet vinden. Hij verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad in de zaken Vector en Unis. Het hof volgt werknemer niet in zijn betoog over de berekeningssystematiek in de door hem genoemde uitspraken. Anders dan in die zaken gaat het in de hier aan de orde zijnde werkingssfeerbepaling niet om het aantal overeengekomen arbeidsuren. De meest vergaande stelling van werknemer is dat ook de zeven werknemers die Providius niet meetelt voor de werkingssfeer, wel bij de bedoelde werkzaamheden zijn betrokken. Werkgeefster heeft dat echter gemotiveerd betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is ook gebleken dat het niet zo is, dat werkgeefster meubels fabriceert die vervolgens nog verkocht moeten worden. Het hof constateert dat er méér werknemers zijn van wie de activiteiten gericht buiten de werkingssfeer vallen. Het hof verwerpt de stelling dat werkgeefster onder de werkingssfeerbepaling van de cao valt. De beschikking wordt bekrachtigd.