Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 september 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:6182
Feiten
Tussen Van Deudekom Plastics B.V. (hierna: Van Deudekom) en werknemer is op 24 februari 2020 een arbeidsovereenkomst aangegaan. Op 13 juni 2022 werd werknemer ziek. Op 6 januari 2023 besprak werknemer met Van Deudekom dat hij de arbeidsovereenkomst per direct wilde beëindigen om zijn herstel op een andere manier in te vullen. Van Deudekom heeft het ontslag niet geaccepteerd. Op 17 januari 2023 liet werknemer per e-mail weten dat hij ontslag nam per 6 januari 2023. De gemachtigde van Van Deudekom heeft werknemer gewezen op de mogelijke gevolgen van de opzegging. Op 18 januari 2023 heeft Van Deudekom een ontbindingsverzoek ingediend welke procedure is uitgemond in een minnelijke regeling op 29 maart 2023 waarin werknemer verklaart dat hij zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst weloverwogen en om goede redenen heeft gedaan en daar niet op terug zal komen en Van Deudekom haar verzoekschrift intrekt. Van Deudekom heeft op 31 maart 2023 een eindafrekening opgemaakt waarin zij het salaris bij ziekte, het vakantiegeld en de vakantiedagen verrekent met de schadeloosstelling wegens onregelmatige opzegging. In een e-mail van 31 maart 2023 liet Van Deudekom aan werknemer weten dat in verband met onregelmatige opzegging werknemer de wettelijke schadeloosstelling verschuldigd is en deze wordt verrekend met de eindafrekening. Werknemer vordert uitbetaling van de volgens de eindafrekening verschuldigde bedragen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW staat eraan in de weg dat Van Deudekom zich nu nog beroept op verrekening met een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging. Het staat vast dat de termijn waarbinnen Van Deudekom een verzoek kon indienen vanwege onregelmatig ontslag al was verstreken bij aanvang van onderhavige procedure en dus ook op het moment dat Van Deudekom voor het eerst buiten rechte een beroep deed op verrekening. Van Deudekom voert aan dat het verstrijken van de vervaltermijn niet aan verrekening in de weg staat. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2305) en van het gerechtshof te Amsterdam van 6 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4160). Anders dan Van Deudekom veronderstelt, is in die uitspraken niet geoordeeld dat verrekening met een in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vergoeding ook na ommekomst van de vervaltermijn mogelijk blijft. Wel is de vervaltermijn buiten toepassing gelaten in gevallen waarin een van de partijen tijdig een verzoek instelde tot betaling van een in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vergoeding. In een dergelijke situatie mag de wederpartij zich ook buiten de vervaltermijn verweren, ook als dat verweer is gegrond op een bepaling uit afdeling 9 van titel 10 Boek 7 BW waarvoor een vervaltermijn geldt. Achtergrond van deze beslissingen is dat moet worden voorkomen dat een van de partijen vlak voor het verstrijken van de vervaltermijn nog een verzoek doet, waarna de andere partij die mogelijkheid niet meer heeft. Die situatie doet zich hier niet voor. Werknemer heeft recht op hetgeen Van Deudekom op grond van de eindafrekening verschuldigd is. Dit volgt uit artikel 7:623 BW, 7:641 BW en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Geen van deze bepalingen is opgenomen in afdeling 9 van titel 10 Boek 7 BW, waar artikel 7:686a BW op ziet. Bij niet betaling van hetgeen op grond van de eindafrekening verschuldigd is, volgt een gewone dagvaardingsprocedure, zoals werknemer die heeft ingesteld. De tegenvordering waar Van Deudekom mee wil verrekenen is gebaseerd op artikel 7:677 BW. Daarvoor is volgens artikel 7:686a lid 2 BW de verzoekschriftprocedure voorgeschreven, met inachtneming van de in datzelfde artikel voorgeschreven vervaltermijn. Die vervaltermijn is verstreken. Er is ook geen reden die vervaltermijn buiten toepassing te laten, omdat de situatie dat ook werknemer betaling wil van een van de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vergoedingen zich niet voordoet. Met het verstrijken van de vervaltermijn is het recht op een vergoeding vervallen. Van Deudekom kan dus ook niet meer met een beroep op verrekening aanspraak maken op een in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vergoeding, anders dan bij verjaring van een rechtsvordering het geval zou zijn. Nu het beroep op verrekening niet opgaat, zijn de vergoedingen van werknemer toewijsbaar.