Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Mondi Maastricht B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 13 oktober 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:6079
Werknemer is op staande voet ontslagen en vordert vier maanden later in kort geding werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris en de eindafrekening. Geen spoedeisend belang.

Feiten

Werknemer is op 1 september 2019 in dienst getreden bij Mondi in de functie van monteur. Op 1 september 2022 heeft werknemer zich ziek gemeld. Per 15 mei 2023 is werknemer hersteld gemeld. De directeur van Mondi heeft werknemer tijdens een telefoongesprek op 17 mei 2023 op staande voet ontslagen. Werknemer zou terwijl hij arbeidsongeschikt was werkzaamheden hebben verricht die verband houden met het leggen van zonnepanelen. Mondi heeft aan werknemer over de maand mei 2023 geen loon betaald en geen eindafrekening verstrekt. Bij e-mail van 18 augustus 2023 heeft Mondi aan werknemer medegedeeld dat de kosten van het recherchebureau € 15.213,33 (incl. btw) bedragen en dat werknemer daarnaast een gefixeerde schadevergoeding van € 3.138,320 bruto (€ 2.772,95 netto) aan Mondi verschuldigd is. Mondi heeft werknemer verzocht het totaalbedrag van € 17.986,28 netto aan Mondi te betalen. Werknemer vordert in kort geding onder andere uitbetaling van het loon van 1 mei tot en met 16 mei 2023 en een eindafrekening.

Oordeel

Werknemer heeft geen verzoek gedaan tot vernietiging van de opzegging op 17 mei 2023 van de arbeidsovereenkomst. Hieruit volgt dat (onherroepelijk) vaststaat dat de arbeidsovereenkomst op die datum is geëindigd. De vordering van werknemer in dit kort geding ziet in feite op de afwikkeling van het op 17 mei 2023 geëindigde dienstverband. Werknemer heeft zijn vordering op 14 september 2023 ingesteld, (bijna) vier maanden na dat einde. Op dat moment had Mondi de bodemprocedure jegens werknemer al aanhangig gemaakt. Tegen deze achtergrond had werknemer veel meer moeten uitleggen welk spoedeisend belang hij bij de door hem gevorderde voorzieningen heeft. Hij stelt in zijn dagvaarding daarover slechts dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vordering. Dat is in deze zaak te weinig. Het is inderdaad zo dat bij een vordering in kort geding van een werknemer tot betaling van het loon in het algemeen het spoedeisend belang al snel wordt aangenomen. Achterliggende gedachte daarbij is dat een werknemer voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de betaling van het loon. In deze zaak gaat het echter om een loonvordering van betrekkelijk geringe omvang over een betrekkelijk korte periode die reeds (ongeveer) vier maanden geleden is afgesloten. Werknemer heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij nu nog een spoedeisend belang heeft bij die vordering van dat loon en waarom hij de uitkomst van de door Mondi aanhangig gemaakte bodemprocedure waarbij hij dan eventueel in reconventie betaling van het loon kan vorderen, niet kan afwachten. Voor wat betreft de andere onderdelen van zijn vordering heeft werknemer evenmin een spoedeisend belang.