Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/de Stichting voor Islamitisch Voortgezet Onderwijs
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29 augustus 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:1827
Opzegverbod voor lid van medezeggenschapsraad staat opnieuw aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. Geen herstel van de arbeidsovereenkomst, wel toekenning van een billijke vergoeding aan werkneemster.

Feiten

De Stichting voor Islamitisch Voorgezet Onderwijs (hierna: Sivor) is de stichting die het Avicenna Collega in Rotterdam in stand houdt. Werkneemster is op 25 november 2023 in dienst van Sivor getreden. Werkneemster is eind 2017 lid geworden van de medezeggenschapsraad (MR) van het Avicenna Collega. De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster afgewezen omdat voldoende is komen vast te staan dat dit verzoek verband houdt met het lidmaatschap van werkneemster van de MR en dat dit aan ontbinding in de weg staat. Verder is onvoldoende gebleken dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Sivor had meer inspanningen kunnen verrichten en heeft een en ander te snel als een gepasseerd station beschouwd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst later ontbonden per 1 december 2022. Werkneemster heeft niet onderbouwd dat ook dit ontbindingsverzoek zou samenhangen met haar MR-lidmaatschap. Sinds de afwijzende beschikking van 5 juli 2021 is mediation niet van de grond gekomen. Ook hebben partijen nauwelijks initiatieven genomen om op betere voet met elkaar te komen. Er is sprake van een duurzaam en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding waarin herplaatsing van werkneemster niet meer tot de mogelijkheden behoort. Beide partijen hebben een aandeel gehad in het ontstaan van deze situatie maar van ernstig verwijtbaar handelen van een van de partijen is geen sprake. Werkneemster stelt in hoger beroep dat het ontbindingsverzoek van Sivor verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Het huidige ontbindingsverzoek houdt ook verband met het MR-lidmaatschap. Ten onrechte is overwogen dat de g-grond zich voordoet. Werkneemster verzoekt primair herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair betaling van een billijke vergoeding. 

Oordeel 

Het hof stelt vast dat werkneemster ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek lid was van de MR en is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat ook dit ontbindingsverzoek verband houdt met het MR-lidmaatschap. De toenmalige bestuurder heeft tegen individuele MR-leden acties ondernomen die effect hebben op hun arbeidsrelatie en verband houden met het feit dat zij (kritisch) MR-lid zijn, waaronder het afnemen van het teamleiderschap van werkneemster. De feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen, kunnen ook niet zelfstandig een redelijke grond voor ontbinding vormen wanneer het conflict dat samenhangt met het MR-lidmaatschap van werkneemster wordt ‘weggedacht’. Het ontbindingsverzoek kan niet worden geabstraheerd van de feiten en omstandigheden waar het opzegverbod voor MR-leden betrekking op heeft en er bestaat een verband als bedoeld in artikel 7:671b lid 6 onder a BW. De arbeidsovereenkomst had daarom niet ontbonden mogen worden. Het hof zal niet tot herstel van de arbeidsovereenkomst overgaan omdat terugkeer van werkneemster naar Sivor in de gegeven omstandigheden niet in de rede ligt, gelet op de inmiddels ernstig verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Aan werkneemster wordt een bilijke vergoeding van € 45.000 (bruto) toegekend.